ZIJN

ZIJN

Herinneringen als ijkpunt, ijkpunt van herinneringen

 

Wat als je eersteling krampjes heeft na de voeding,

Je wiegt het, lopend door de kamer, op je arm in slaap

 

Wat als je kind als peuter een wespensteek op d’r lip heeft gekregen,

Je troost het en probeert de lip te doen slinken

 

Wat als je kind op school vernederd wordt omdat andere kinderen zichzelf intelligenter vinden,

Je troost het en roept de school ter verantwoording

 

Wat als je adolescente kind in d’r moderne gescheurde broek wordt aangerand door een BN’er als hij z’n hand in d’r broek steekt,

Je bent samen verbijsterd door zoveel brutaliteit

 

Wat als er van je kind misbruik gemaakt wordt juist op ‘n plek waar het veilig moet zijn,

Je probeert te steunen en de juiste stappen te nemen, wetend dat je altijd hopeloos te kort zult schieten

 

Wat als je kind wordt beticht dat ‘t fout is en zich niet verweren kan, terwijl je altijd naar eer en geweten hebt gehandeld en weet dat die basis verankerd is in je kind maar dat de wereld zo gepolariseerd is dat gesprek blijkbaar onmogelijk is,

Je voelt je gekneveld omdat je alleen nog aan de zijlijn mag staan ….. hopend op een eerlijke uitkomst

 

En wat als je alleen nog maar aan de zijlijn mag staan en hooguit kan vragen : ‘kan ik wat voor je doen?’ Van loef naar lij, haal lij maar weg, wat overblijft is : zijn.

Advertenties

Elektrocutiesauna

Elektrocutiesauna

 

We gingen naar een hotel in het oosten van het land, ik had nog een tegoedbon, die ik afgelopen zomer had gekocht. Reden was een bezoek aan het dierenhospitaal waar Rudi afgelopen zomer geopereerd was. Bij toeval waren we daar terechtgekomen en de operatie was goed geslaagd. Hij had, achter de ganzen aanrennend, zijn kniebanden en knieschijf gescheurd.

Na het bezoek reden we door om een nachtje over te blijven. De foto’s en hotelbeschrijving zagen er zeer aanlokkelijk uit. Fijne kamers, een sauna en zwembad, mooie omgeving. Twente, kortom. Het lag tegen de grens aan, met Duitsland.

Aangekomen in het hotel, lag het langs een provinciale weg. Niet heel druk, maar toch. Ik checkte in. We kregen een kamer aan de achterzijde. Nee, geen interesse in het ontbijt. Inmiddels bekend geworden met de goedkope afbak-broodsoorten en Aldi-beleggingen, voor € 16 pp. De sluitpost van deze hotelketen.  Nee, dank u. En met de sleutel in de hand liepen we de stille gangen door naar onze kamer. Rudi als een blij kind voor ons uit hopsend.

Na honderdvijftig meter kwamen we bij de juiste kamerdeur, opende die en als een lauwe doek sloeg de geur van het bejaardenhuis ons in het gezicht. Het interieur deed me denken aan het zorgcentrum waar mijn moeder veertien jaar, tot aan haar dood, verbleef. Witte kale muren. Nou, niet helemaal, boven het bed een klein schilderij, dat je alleen dan kon zien als je je hoofd in een bocht kon draaien, zoals alleen een uil kan. De badkamer had een kleuter wc, er was een kastwand met drie aaneengeschakelde kasten, die alle leeg zouden blijven, een halletje, een tv.

We deden de tv aan, zodat Rudi BBC kon kijken, trokken onze zwemkleding aan en togen naar het zwembad om, voordat we de grens over zouden gaan voor een avondmaaltijd, een frisse duik te nemen. En natuurlijk de sauna. En, wat bleek, ook nog het stoombad. Wat een verwennerij.

In badpak met handdoek omgeknoopt liepen we nog twintig meter naar de toegangsdeur van het watercomplex. Het zwembad oogde vrolijk, met allerlei schilderingen van Italiaanse taferelen uit vervlogen tijden. Doorkijkjes vanaf een bergpoort naar steden, pergola’s. Prachtig. De bar, aan de zijkant langs het water, was gesloten. Maar blijkbaar in gebruik tijdens feesten, of misschien met zwemles voor de buurtkinderen. We namen een duik. De bodem deed ons denken aan ons bezoek aan he Poolse hotel, anderhalf jaar geleden. De bekleding bestond uit een soort plastic laken, het bubbelde en was aan de kant losgeraakt. Aan de randen van het bad de bekende grijze vettige streep. Vroeger, toen ik nog in zwembaden werkte, was er altijd een periode dat het gesloten was om onder meer deze vetranden te schrobben. Randjes schrobben, heette dat. Het was een mengsel van aangekoekt huidvet, zeep (wellicht) en andere ongerechtigheden. We besloten naar de sauna te gaan. Het was een piepklein hokje. Ongeveer één meter twintig breed met een heel klein bankje. We namen plaats. De deur sloot niet. Je moest met geweld tekeer gaan om het een beetje dicht te houden. Het werd langzaamaan warm, nadat we de knop hadden ingedrukt. Maar omdat het een infraroodsauna was, zou je iets moeten kunnen zien.  Iets roods. Maar we zagen niets. Wel voelden wel achter ons een hitte opstijgen, het knetterde. Ik keek om. Daar zag ik ijzerdraadjes, gloeidraadjes, zoals bij een elektrisch badkamerkacheltje, zo’n ouderwets exemplaar. Er was nauwelijks bescherming dus je liep gerede kans je rug te verbranden. We bleven even zitten maar omdat het geknetter niet van de lucht was en steeds bedreigender begon te klinken, besloten we er uit te gaan. De deur opende zich vanzelf, vanwege het kapotte sluitmechanisme. Gelukkig.

Even kregen we een gevoel hoe het moest zijn op een elektrische stoel, gebruikt in bepaalde Verenigde Staten. Griezelig.

Het stoombad bood uitkomst, het was lekker warm, de opgespaarde druppels vielen met zo’n vijftig graden warmte op je benen. Maar die kon je ontwijken.

De rekening was, voor dit aanbod veel te hoog. Twee personen, één overnachting, hondje mee (à € 15 p.n.), toch zo rond de honderd en vijf euro. Gelukkig zou de evaluatie enquête binnenkort komen. Na invulling kreeg ik, te gebruiken bij een volgende overnachting, een aanbieding: ‘High Tea voor twee personen voor de helft van de prijs.’  …………..

 

 

RTL Late Night of De Dikke Dame

RTL- Late Night

Inleiding

Ik schrijf al dagen aan een stukje en zoek naar een titel. Oorsprong is n.l. een uitzending van RTL-Late Night, waar ik nooit naar kijk, en waar Dr. Maurits de Brauw in zat. De dokter die dikke mensen helpt om van hun overgewicht af te komen d.m.v. een maagomleiding. Hij zat daar afgelopen week, meen ik, met twee dames, een dikke en een inmiddels afgeslankt exemplaar. Zij spraken erover, en over hun gevoel dat er op hun werd ‘neergekeken’. Iets wat zéker gebeurt, maar ik persoonlijk niet herken of heb meegemaakt.

Nu net lees ik dat RTL Late Night per vandaag van de buis gehaald wordt. Te weinig kijkers. Klopt. Een misgeslagen plank- programma.

Maar goed, over tot de orde van de dag:

 

DIKKE DAME

Ooit, in mijn jonge jaren, toen ik nog een vrij normaal postuur had, denk ik, maar in de context van het hedendaagse waarschijnlijk slank, werd ik op de kermis aangesproken bij de Vrouw Met De Drie Borsten. Wie kan zoiets nog overtreffen, zou je denken. De man bij de ingang vroeg of ik niet bij hem wilde komen werken als De Dikke Dame. Ik voelde me gekwetst. En bedenk me nu dat het misschien wel een van zijn vele running gags was, voor aan de borreltafel.

Een jaar geleden wilde ik van dat imago af, de dikkerd. Ik trok het niet meer, of beter, ik kon het niet meer dragen. We leven inmiddels dan zo’n vijfenveertig jaar na dit voorval, schat ik in. Het leven was op het gebied van gewichtsbalans een heel gedoe geweest. Ik had gejojood, maar dan niet als spel. Droomde soms van een leven in een dun zomerjurkje, dansend over het strand, tijdens een warme zomerbries. Wilde niet meer zakken door de diverse stoelen en ligbedden. Wilde licht zien, en geen duisternis. Nieuw perspectief.

Ruim een jaar geleden onderging ik, na een lange weg van overwégen, dus niet óverwegen, plussen en minnen, de stap. Huilend werd ik naar de operatiezaal gereden. Vooraf getroost door een verpleegkundige die zei dat het ‘een ziekte is waar je niet zonder ingreep vanaf komt.’ Ik reed door betegelde gangen, voortgeduwd in mijn bed. Tegen de zuster zei ik dat het voelde of ik naar de slagerij ging. Zij schrok, maar zei ook: ‘in zekere zin wel, ja.’ Maar ik was bang om geslacht te worden en had voor het thuisfront afscheidsbrieven achtergelaten. De vriendin die mij ’s ochtend, ook alweer huilend, ophaalde zei: ’Prins Bernhard is ook 93 geworden met al zijn operaties. Wat kan je nou gebeuren? Het enige dat kan gebeuren is dat je dood gaat. Nou en. Daar merk je niet eens iets van. Hoe mooi kun je dood gaan?’ Ze had gelijk.

’s Avonds werd ik wakker. Of iets wat er op leek. De kinderen waren nog even geschrokken toen ze mij zagen liggen, terugdenkend aan oma, twee jaar eerder tijdens haar sterfbed. Maar ik opende mijn ogen en met zijn zessen liepen we als een kolonie vogels over de gang. In een rijtje. Op een kluitje. Het nieuwe leven zou gaan beginnen. Man en kinderen reden door de regen op deze winteravond naar huis en ik ging de nacht in. Sliep onrustig, werd steeds gecontroleerd en kreeg na ontwaken een bakje griesmeelpap, 20 cc. Het was een klus om het weg te werken. Maar na een plas, een glaasje drinken en een bakje pap mocht je naar huis. En aldus werd ik opgehaald door mijn vriendin, en mijn twee dochters.

’s Avonds werd er culinair gekookt en vervolgens gemalen. Het eten bleef steken als bij een vogel die eten bewaart in een krop om het daarna aan de kinderen te voeden. Het stapelde zich op om er vervolgens in omgekeerde richting uit te komen. Vijf dagen later probeerde ik weer wat, ondertussen de dagen vullend door met moeite elke dag een liter te drinken, met minislokjes door een rietje, kokhalzend. Maar die zaterdagmiddag probeerde ik het weer: roerei, ’n beetje nattig. Waarom weet ik niet maar het verzamelde weer en stootte niet door, naar mijn nieuwe maagje.  Het voelde als een hartaanval, tot ik verlost werd. In omgekeerde richting.

Nu, ruim een jaar later, is alles koek en ei (ook eierkoek). En het allerfijnste is dat ik ruim vijftig kilo kwijt ben. Die last heb ik achter me kunnen laten. Ik zie mezelf en ben blij. Het ziet er eigenlijk eindelijk normaal uit, zoals ik me misschien wel altijd gewenst had. Maar nooit had durven dromen.                                                                                                     Ik had me neergelegd bij een leven als dikkerd, maar pas in de spiegel of op foto’s was er échte confrontatie. Echter, nooit heb ik me er door laten weerhouden om te zijn wie ik ben. Daar heb ik geen last van gehad. Gediscrimineerd heb ik me nooit gevoeld. Ben je gek zeg.

Wat me wel steeds meer opvalt is hóe dik mensen zijn, hoeveel last ze hebben, en dat ik godzijgedankt dáár niet meer bij hoor. Ik roep in stilte telkens: trakteer je zelf, laat je opereren.  Want wat doen mensen zichzelf tekort door zo door te worstelen. Met diëten in alle soorten en maten van sla tot alleen maar vet, van Sonja Bakkeren tot you name it. Het helpt allemaal niets en levert alleen maar frustratie op. Niet meer doen jongens en meisjes. Meld je aan en durf. Het is een volksziekte en eenmaal patiënt, is er bijna geen mogelijkheid om er vanaf te komen.

O, ja, ik heb mijn gehele outfit (dus ook mijn kolenmannenkloffie) naar de Achterhoek gebracht. Daar wonen nog genoeg dikke vrouwen die nu, met een bonnetje van de Gemeente, gratis in mijn garderobe mogen shoppen, of er nog iets van hun gading bij zit. Maar bovenstaande boodschap geldt ook hen.

 

Ik sluit even af, na deze drieluik. Even een pauze weer.

Ode aan Kees Bakx

At5 nieuws: Groot gemis voor de Spaarndammerbuurt,  Kees Bakx is niet meer

Zeventien september 2018, namiddag. Met veel  rumoer wordt een man onze zaal opgereden in het OLVG-West, rechtop zittend in zijn bed, operatiehemd nog aan. Afdeling orthopedie. Wij zijn vanmorgen van allerlei titanenonderdelen voorzien, hij vanmiddag. Een nieuwe heup heeft hij.                                                                                                                Wij, drie vrouwen, liggen op totáál op apegapen, gedrogeerd door de Oxycodon. ‘Goedemiddag dames,’ zegt de tandeloze man. Een enorme ras-Amsterdammer. Net als wij. Maar toch effe geen zin in die drukte. Wij dan.                                                                                                                                                                                                                                    Hij: ’Gezellige boel hier,’ zegt hij ons misprijzend aankijkend. Ik denk alleen maar ‘sodemieter op met je gezeik’.Wij verkeren niet in die staat van opwinding en hebben reteveel pijn.

Hij moet ook met van alles gedrogeerd zijn, zo vers uit de snijkamer, maar geeft geen krimp. Integendeel. Als een soort adhd-er stapt hij uit zijn bed en wil een rolstoel regelen. Vervolgens gaat hij zijn bed  herschikken, rukt aan het matras, sjort aan de dekens. Ik ben stomverbaasd dat je zo uit een narcose kunt komen. En als hij bezoek krijgt van een vriend, duikt hij meteen de gang op, op zoek naar een rolstoel. Hij loopt als een kievit. Hij moet roken. Róken, en hij is net wakker. Ik sla het in stilte verder gade, vanachter een soort dik Oxycodon-scherm in mijn hoofd. Vind het ook storend. Maar ook wel een beetje lachwekkend, zo herkenbaar Amsterdams. Uitgestorven ras.

Als hij weg is, is het even rustig. Maar als hij terug komt, is het erg onrustig. En als de nacht valt, en de slaap op een zweverige manier zijn intrede doet, waak-slaap-waak-slaap, en het ganglicht binnenvalt door de open deur, hoor ik hem enorm hard praten op de gang. Met personeel en misschien een andere wakkere medepatiënt. Hij kraait overal bovenuit, met zijn dik-Amsterdamse tongval.

De volgende dag ligt hij weer op zaal en heeft een hoop babbels. Hij ruikt alsof hij zo is weggelopen uit een grot. Ik wil het raam open hebben, net als mevrouw naast mij. Maar mevrouw tegenover ons wil dat niet.  We halen haar over; op een klein kiertje dan. Om net even de geur naar buiten te doen ‘glijden’.

Mevrouw tegenover voelt zich niet op haar gemak, zo te zien. Zoveel brutale Amsterdamse openhartigheid en vrijgevochtenheid. Maar het lijkt meer een blaffende hond, want als de uren verstrijken, wordt toch steeds duidelijker dat de man wel een enorme grote mond heeft maar een klein hartje. Kortom, een ouderwetse Amsterdammer. Een zestiger wellicht, zo zie je ze niet veel meer.

De tweede avond valt en het voelt niet prettig, zo’n drukke man met zoveel praatjes in de kamer, met alleen maar vrouwen. Wat gaat hij doen? We zijn immobiel.

Dan komt de zuster langs en zegt: ‘We halen meneer Bakx van de kamer. Hij gaat vannacht in een gesprekskamertje slapen. Dat is rustiger voor jullie, en voor hem.’ Wij hebben niet geklaagd over hem maar zijn wel blij dat hij een eigen plekje krijgt. Niet alleen voor ons maar ook voor hemzelf. Hij heeft dat gewoon meer nodig. Even later komt hij kwiek de kamer binnenlopen en zegt: ‘Ik krijg een eigen kamer, met jacuzzi. En nu willen alle verpleegsters meteen op bezoek komen.’

Ik sla het op, vind het humoristisch maar kan niet meer lachen dezer dagen. Lig teveel voor pampus door de –veel te- zware pijnstillers. Maar gun hem het allerbeste.

Ik kijk vandaag het At5 nieuws en lees dat de Spaardammerbuurt rouwt, om Kees Bakx. Niet eens een beroemde maar zelfs een berúchte buurtbewoner. Het geheel onderstreept met een filmpje van twee jaar geleden, in de zomerhitte opgenomen. Hij zit in het park en vertelt dat hij ‘normaal twee traytjes bier drinkt per dag.’ Als de interviewer hem vraagt of hij niet ook water moet drinken in deze hitte schreeuwt hij het bijna uit: ’Zeg, wil je me vergiftigen???’ Zijn waterige (of ‘bier-ige’) lichtblauwe ogen spert hij wijd open.

Deze week is hij overleden, na complicaties aan zijn heupoperatie. 64-jaar oud. Hij wordt gemist door de buurt, getuige de mensen die hem uitgeleide doen op zijn laatste reis. Alweer een Amsterdammer minder, een uitstervend ras. Grote mond-klein hartje. Hij gaf, terugkijkend, toch extra cachet aan het ziekenhuisverblijf. Hij drong tóch door het gedrogeerde scherm heen. Ik heb hem toch onthouden en herkende hem direct, toen ik het filmpje zag. De andere zaalbewoners zou ik zo nooit herkennen.

https://www.at5.nl/artikelen/192042/spaarndammer-kees-bakx-gecremeerd-hij-was-berucht-in-de-buurt

 

 

Aan de koffietafel

We zitten bij elkaar en memoreren dat onze kat Tibbe alweer bijna twee jaar dood is. Of we nog naar de begraafplaats gaan voordat hij wordt opgegraven. Ik zeg: ‘Dat is toch na drie jaar? Dan hebben we nog een jaar.’ Mijn oudste dochter antwoordt: ‘Misschien kunnen we hem opgraven en meenemen.’ Ineens krijg ik een ingeving. ‘We kunnen hem meenemen en zijn botjes met van die ijzerdraadjes verbinden en hem dan op een plankje spijkeren.’ Allen vinden het een ingenieus idee. Dan zegt mijn oudste: ‘En er wieltjes onder doen. En een touwtje eraan vast. Dan kun je er mee door het huis lopen.’ We grinniken wat maar denken tegelijk met liefde aan Tibbe terug. Even geeft het een gevoel dat ie dan weer bij ons is. Maar vader wil geen kat meer. En we hebben last van muizen.  Wat nu?                    Ik zeg: ‘Dan zetten we hem in de keuken, bij het aanrecht. Dan denken de muizen misschien toch dat er een kat is. En we laten vader met hem door de kamer lopen, aan het touwtje. Hebben we allemaal een beetje onze zin. Wel een kat en geen kat.’

In ieder geval hebben we nog een jaar om het te overdenken. Ik opper nog dat we wel duurzaam bezig zijn als we het zo doen. Dat we dan ook goed recyclen. De koffie is op. Ieder gaat haars weegs. We denken en herdenken Tibbe, volgende week twee jaar dood.  We denken aan het idiote van het verhaal en de liefde die we voor hem voelden en voelen. Jongste dochter mist hem enorm en droomt vaak van hem. Wat is gemis toch naar. Wat is het soms lastig om het hier en nu vast te houden, terwijl je ook graag soms het hier en nu wel naar de maan zou willen sturen. Omdat het te veel zeer doet. Maar gemis blijft moeilijk. Het enige dat verzacht is als je vrede kunt hebben omdat het leven geleefd is. Het vieren daarvan heb ik nooit begrepen. Dat is jezelf een soort rad voor ogen draaien, vind ik. Hoewel, als ik hier nu zo over schrijf …………… misschien …….. ik weet het niet. Misschien mág je soms een beetje blij zijn dat het iets goeds heeft opgeleverd en dat je daar positief bij mag stil staan. Maar vieren …….? Daarvoor is gemis op het moment nog te voelbaar. Dat is iets van later, denk ik. En zo hebben we vrede met het niet meer onder ons zijn van oma en Tibbe, onze laatst ontvallenen.

 

WOKKEL

Wokkel

(of: schets van onze generatie)

‘Je kunt jezelf op dit moment het beste vergelijken met een wokkel,’ sprak de huisarts. Ik was onder andere bij haar om de tijdelijke ongemakken te bespreken en de medicatie die daarbij gepast zou zijn. Nu ik zo dom gevallen was op mijn (daardoor afgebroken) vakantiereis en mijn operatie moest uitstellen, verstreken de weken nóg minder soepel.                                                                                                                                                                                                            ‘Je gaat om te ontlasten een andere houding aannemen, dan krijg je daar ook weer last van en ga je wéér een andere houding aannemen en uiteindelijk loop je als een wokkel rond.’  Daar kon ik me wel in vinden. Van linkerknie naar rechterheup en dan ook nog linkerschouder, allemaal versleten tot op het bot, letterlijk. Daardoor gevallen en uiteindelijk heb je ín je eigen lichaam ook nog Twister gedaan, een spel dat uit kwam toen ik in de hoogste groep van de basisschool zat en toen, zonder enige moeite, me in bochten kon wringen waar ik nu nog van kwijlen kan. Maar ja, ‘Vergangenheit’. Tijden verstrijken. Souplesse vergaat, en slijtage gaat in het kwadraat…. Een hedendaags rijmpje voor in een Poëzie-album.

Van alle kanten werd ik opgemonterd: ‘die en die heeft ook een nieuwe heup. En die en die kon al heel snel weer lopen als een kievit.’                                                                                                                                                                                                                         Dát bood troost. Ik verkeerde zelf nog in het voorstadium: de verlengde wachtkamer. Na uitstel nu opnieuw de denkbeeldige wachtkamer. Even volhouden, nog een paar weken.

Uit alle hoeken kwamen nu berichten van vrienden, van vrienden van vrienden, van bekenden van vrienden, de gewrichtenpolitie had het er maar druk mee. Iedereen had het op zijn heupen gekregen, hele en halve waren vervangen. Doorgezaagde bovenbenen met een nieuw blinkend stuk er in.                                                                                                                                                                  Mijn grootste angst was ooit ’s nachts in mijn halfslaap binnengekomen: wat als de dokter afzaagt en ineens niet meer weet hoe het ook alweer verder moest….. Dan ben je wel een stuk kwijt maar dan.  ‘Nee, gek, natuurlijk weet hij dat. Haal je niet van die enge dingen in je hoofd.’                                                                                                                                                                                     En als stap één gezet is, grappig in dit verband (ook grappig; verband), dan stap twee: het doormidden zagen van de knie. Getver, wát een teloorgang. Ooit in één geheel op de wereld gezet en nu, door slijtage, om wat voor reden ook, het ‘doorgezaagde meisje’ worden, tegen wil en dank. Het stemde niet zo vrolijk.                                                                                                                                                                                                             En trouwens, die schouder, waar kwam dat vandaan? Ik had nooit op mijn handen kunnen lopen. Naast een wokkel is het lichaam ook een rare snijboon, als jet het van een afstand bekijkt.

Maar zelfs mijn beste vriend (een van de) had er aan moeten geloven, op krukken vervroegd terug van vakantie wegens een ander ongemak, wondroos. En wat te denken van die andere vriend, die vroeger de politie uitdaagde op Luilak, in de Beethovenstraat, toen hij nog een fietsband over de weg spande en op het moment dat de motoragent-met-zijspan er aan kwam, bullepees in de aanslag, liet hij los. Zie hem nu. ‘Waar staat de auto?’ Turend naar een vehikel dat op dertig meter afstand staat probeert hij zijn kansen in te schatten: haal ik dit of niet.                                                                                                                                                                       Mijn tip om een stok in de arm (hand) te gaan nemen in de wind slaand: ‘NEVER!’

Het is duidelijk, het tij is aan het keren voor ons. Een (soms letterlijk) kantelend tijdperk, dat van de ouderdom dat zijn intrede doet. We dènken dan wel dat we nog vijftien zijn, het moment waarop wij elkaar leerden kennen. En nu, vijftig jaar later, (ver-) stappen wij onvoorzichtig de toekomst in, met alle gevolgen van dien.

 

 

…..een klein hoekje……

 

Halftwaalf reden we de straat uit. De wijde wereld in, met een zonnig gemoed, vrijheid in het verschiet. Wéken had ik zitten timmeren aan een programma dat zoveel mogelijk iedereen bediende. We hadden er enorme zin in. Rond één uur passeerden we de Nederlands–Duitse grens, voorwaarts, op naar de Harz, voor de eerste overnachting met ’s avonds uitzicht vanaf een groot terras over de bossen. En morgen in Tsjechië, een pension in een mooi gebied, niet ver van het eerste langduriger verblijf. Dn hoefden we niet zo’n eind te rijden en waren we al in Tsjechië. In Oostenrijk zouden wij –wat later- allen tezamen komen.

In het Sauerland naderden we een file, sprak Tomtom, en besloten die te vermijden en kozen een alternatieve route. We reden over landwegen, prachtig landschap. In een gehucht besloot ik te tanken. Enigszins stijf door het zitten, stapte ik voorzichtig uit en begaf me met één stok ter ondersteuning naar de slang en gooide de boel vol. Daarna stapte ik stram over het stoepje en liep richting huisje om af te rekenen. Of het ouderdom is, mobiliteit, debiliteit, ik weet het niet maar ineens werd mijn voet een opstaand hellinkje gewaar, ik begon te uit koers te geraken, riep, of dacht, nog ‘nee, nee…’. Te laat. Met een enorme smak kletterde ik (gelukkig 40 kilo lichter) tegen de harde vlakte. Ik voelde dat het mis was, sjorde mijn onder mijn linkerzij verstopte hand tevoorschijn en gruwde bij de aanblik. Mijn hand had een eigen richting genomen ten opzichte van mijn onderarm. Het personeel kwam naar buiten gesneld en vroeg een ambulance te bellen. ‘Ja,’ sprak ik luid en duidelijk, ‘ich habe meine Hand gebrochen,’voegde ik er aan toe. ‘Nein,’zei de mevrouw. ‘JA,’ sprak ik, und die Kinder sind im Wagen.’ Na korte tijd kwamen de kinderen uit eigen beweging omdat ze meenden te horen dat hun moeder ruzie aan het maken was…. Zij dachten een kind op de grond te zien liggen. In beide gevallen: mispoes.

Daarna ging het razendsnel; ambulance kwam, moeder werd eerst grauw, toen groen. Ik sprak en hoorde de duivel die in mij gevaren was, een onherkenbare zware stem, het was doodeng, het voelde als dood. Daarna werd ik met vereende krachten op een brancard gehesen en dertig kilometer verderop in een Evangelisches Krankenhaus binnengereden. Het was maar goed dat al het aanroepen van de heer niet geregistreerd was.                                                                       Het ging snel, foto’s, en Dr. Bernard die bij mijn bed kwam staan en de eerste woorden sprak:  ‘Oranje boven.’

‘Bitte?’ vroeg ik, niet begrijpend wat ik hoorde.  ‘Oranje boven,’ herhaalde hij, en keek er guitig bij. Ik wist wel waar hij op ‘doelde’. Nu, een paar dagen later, en zelf met veel plezier 99 Luftbalonns   rondgestuurd, na de nederlaag van die Mannschaft, na 99 minuten, heb ik denk ik hetzelfde gevoel, darüber.    (https://www.youtube.com/watch?v=La4Dcd1aUcE)

Een gecompliceerde breuk. Ik mocht kiezen tussen naar Amsterdam gerepatrieerd worden en daar geopereerd, of hier ter plekke. Dr Bernard was de Chef, dat was me inmiddels meerdere malen verteld geworden. Ik koos voor hier, in dit zomerse skigebied. Daar was voldoende kennis van zaken. Ik was al blij dat ik niet in Tsjechië was op dit moment. En Dr. Bernard traumachirurg vandaag dienst had.

Binnen een uur lag ik op de OK onder zeil, en ontwaakte weer later in een kamer, een plaatje in mijn pols rijker. De dames om mij heen verkeerden in andere sferen. De een angstig voor een operatie de dag er na, de ander had een darmonderzoek op komst. Dat laatste was een feest dat breed gedeeld werd op de kamer. Tientallen keren dook de dame de WC in. Zelf was ze doof maar voor ons was er geen moment dat verloren ging. Het geknetter was niet van de lucht…. De lucht zelf was niet van vandaag maar van gisteren,  eergisteren en had een lange weg afgelegd. Mevrouw zelf had het koud en sloot het raam om vervolgens buiten te gaan roken, een gevaarlijk actie met zoveel aandrang, zou ik zeggen. Ik zou het niet gedurfd  hebben. Het was immers onvoorspelbaar wanneer er weer een golf aan kwam. Wij lagen ondertussen in de stank.  Evangelisches Krankenhaus zou beter mevrouw een eigen kamer kunnen geven, dacht ik nog.

De kinderen waren ondertussen met Rudi-Hund in een hotel om de hoek getrokken. De temperatuur was letterlijk ook flink gedaald, zo’n tien graden. Er werden spullen gekocht die noodzakelijk waren. Waaronder een cadeautje van beide dochters met afbeeldingen van Cactus-se(n). (Spreek hardop uit. Woord-in-beeld…)

Na twee nachten mocht ik me bij hen voegen, ik werd ontslagen. Maar nu uit het Krankenhaus. En de folders die de mevrouw van het Deutsche Oe Vee Vee had aangereikt en waarbij ze mij ervan wist te overtuigen dat ik ook Communion kon doen, hoefde ik niet aan te spreken. Ik weet niet eens wat Communion ist. Zou zij mij gehoord hebben….

De laatste twee gedwongen dagen in Paderborn werd ik in een rolstoel vervoerd, van vor dem Kriege. Een oud kreng. Dochters duwden me tegen de plaatselijke hellingen van de Sauerlandse stad op. Ik zat als een bejaarde er in. Grauw, maar niet meer zo. Heerlijk een frisse neus halend.  Zeer liefdevol verzorgd door mijn geschrokken schaapjes.

En zo keerden wij na vier dagen terug, opgehaald in eigen auto door de ANWB, om ook een beetje duurzaam mee te denken en uit te sparen en het praktische met het financiële te combineren……..                                                      Denkend aan de toekomst.

De vakantie had precies drieënhalfuur geduurd. Net zo lang als dit stukje tikken met één vinger.

 

Sleutel 1

 

 

Jarenlang liep ik met een indrukwekkende bos sleutels aan mijn keykoord. De sleutels openden voor mij deuren die voor anderen dicht bleven. Het huis van mijn ouders bijvoorbeeld. De deur naar mijn werk. Het slot van mijn fiets. Het slotje van het kinderstoeltje aan mijn stuur.

Met het verstrijken der tijd, werd het belang kleiner. Mijn vader overleed in 1994, mijn moeder verhuisde dementerend in 2001 en daarna ruimden wij haar huis op. Lieten het leeg achter voor nieuwe bewoners. Het slot werd vervangen en geplaatst op een mij onbekende deur in de buurt. Ik zou alle nieuwe sloten van de daarna nieuw betrokken woningen moeten uitproberen en dan, als een deur zich opende, er achter komen dat ik mijn ouders hier niet zou vinden.

De deur naar mijn werk werd voorgoed dicht getrokken door de situatie met onze nieuwe leidinggevende, die nooit begrepen had wat dat inhield, leiding geven. Maar vrolijk overal een nieuwe ravage aanricht(te) om vervolgens te vertrekken, wel of niet gedwongen.

Mijn fietssloten werden af en toe vervangen omdat het slot niet goed meer werkte, stroef door roest en vuil.

Het kinderzitje, ach, daar passen de kinderen al lang niet meer in. Ze hebben inmiddels zelf de leeftijd om ouder te worden.

Lang liep ik nog met de sleutels aan mijn bos. De zwembadsleutel, die mijn moeders deur in het tehuis opende, had ik gelijk gedwongen afgestaan. Het was een overblijfsel uit mijn prille werkperiode en ik had hem aan het personeel uitgeleend. Maar deze bos overblijfselen bungelde storend aan mijn nek. En op een dag besloot ik hem eraf te halen. Hij ligt hier voor mij op mijn bureau; een stille getuige uit een werkzaam en druk bestaan. Ik sluit het er mee af.

Nu is er tijd voor nieuwe sleutels, sleutels voor de toekomst. Een leven met meer rust en lichtheid. Kleur. Evenwicht misschien. Ik moet nog even de precieze sleutel vinden, maar ik heb de baard al een beetje op orde.

 

Sleutel 2

Die baard, die langzaam begint te passen in het slot dat toekomst heet. Die baard daar werd op vijftien januari jongstleden vorm aan gegeven, de eerste randjes werden geslepen.

Na heel lang wikken en wegen, een hoop angsten, besloot ik de stap te wagen en liet mij van binnen omvormen. De gedachte dat ik daar zelf bij moest laten ingrijpen stond mij tegen. Immers, ik was keurig gebreid op de aarde gekomen. Alles werkte. Hoewel…. Ik had last van een groeiend probleem; mijn gewicht. Door alle stress en andere zaken (waaronder eten hooguit een bijzaak was, want dat viel reuze mee, blijf ik ook nu zeggen), kwamen de kilo’s er aan, wat zeg ik, vlógen ze er aan. En na alle druk begon ik te bezwijken en kwam op een kruispunt. Afgelopen zomer was de doorbraak: mijn kinderen maakten prachtige wandelingen en ik wachtte op de parkeerplaats. Invalide.

Ik had voor de zomervakantie een klein voorzetje gegeven en bedacht dat ik wel zou zien waar het schip zou stranden. Nou, dat was dus hier, daar, op die parkeerplaats. Bij wandelgebieden, supermarkten, hotels, huisjes enz. Zíj sleepten alles in en uit de bolide en ik volgde met toen nog één stok. Ik zette dóór en nu, bijna een jaar later dan dat moment, ben ik verlost van veel ballast. Ondersteund door twee stokken, wachtend op (titanium) herstel van slijtage, beweeg ik mij ‘vederlicht’ door het leven. Ik sta op, ga zitten en denk: waar is mijn moment van zwaartepunt gebleven? Achter mij gelaten. Zittend wacht ik tot ik een ons ga wegen. De baard van mijn nieuwe sleutel krijgt steeds meer vorm, lijn, net als mijn lichaam. En ik omhul mezelf inmiddels met meer kleur. Heb mijn werkkleding van decennia zo langzamerhand een beetje op een hoop gegooid. Ik wil met mijn nieuwe sleutel, als hij af is, nieuwe sloten gaan uitproberen. Nieuwe toekomsten ingaan. Ik heb gemerkt dat het kan. Zoals ik vroeger de wijzer steeds meer naar rechts zag bewegen, de digitale cijfers opliepen, zo is er op dat gebied een teruggang die tegelijkertijd een vooruitgang is. Ik had het voor onmogelijk gehouden maar de beslissing die ik genomen heb, is de beste beslissing ooit. Nog even verder aan mijn baard werken zodat alles goed past.

 

 

De Opening

MorganMorgan Betz

De opening

We gingen met zijn vijven naar de opening. Mijn Grote Neef had zich geruime tijd toegelegd op nieuw werk voor zijn expositie in het Haags Gemeentemuseum. Goed gemutst reden we met zijn vijven in de bolide, met zijn zessen eigenlijk: mijn zus, tegelijk de moeder van de kunstenaar, drie van mijn kinderen en Rudi de hond. Voor hem hadden we een dik pak dekens meegenomen want het was koud en hij moest de tijd in de auto overbruggen.

Keurig op tijd kwamen wij aan en konden pal voor de deur parkeren. Mijn middelgrote neef, maar wel de langste, had voor mij een rolstoel gepakt vanwege mijn –hopelijk momenteel- slechte benen. Hij reed mij langs een rijtje heren en wij stelden ons aan elkaar voor. Geen van ons had enig idee wie de ander was. Het had iets absurdistisch.

In de grote ruimte van het museum werd iedereen opgewacht met een glaasje en wat bakjes met pinda’s (meest verontreinigde snack, veelal met urine besmet). De kunstenaar had, bescheiden als hij is, zich tussen de menigte geschaard en toen de lovende toespraken kwamen, was hij niet één, twee, drie te traceren.

Nu konden we naar de zaal met de schilderijen en andere objecten. Buiten waren we al onthaald op twee enorme roze buizen in een vijver, binnen was een mooi bankje in de vorm van een been met schoen, een soort schoot. Ook de oranje staldeur was erg geestig. We liepen rond, hoewel, ik werd nadat ik per goederenlift via de keuken naar boven gehesen was, rond geduwd. Er werd gekeken, gekeurd, besproken en gekocht.

Terug gekeerd in de grote zaal beneden kwamen de vlammetjes, bitterballen en ander ongezond frituur langs. De Koning van de Jiskefet deed zijn naam eer aan, hij schuifelde achter de bediende met het mandje aan om niks te missen.

De gong ging en de sessie was afgelopen. Wij gingen huiswaarts. Rudi was nog gecontroleerd in de auto en lag heerlijk te slapen in de dekens en wij stapten nu om hem heen in. We zwaaiden de kunstenaar gedag en reden terug richting de hoofdstad.

Na een kwartier ongeveer, en net uit de tunnel, voelde ik dat mijn gaspedaal niet meer het effect had wat zou moeten. Net het benzinestation gepasseerd rolde ik uit tot de vluchtstrook. Daar stonden wij. Geen beweging meer in de auto te krijgen. Nog een half uur gaans. Mijn telefoon had het eveneens begeven en met een van de aanwezige telefoons belde ik de Wegenwacht. Of wij achter de vangrail konden gaan staan. Nee, onmogelijk, dan zouden wij ons eerst tussen rechtopstaande flappen moeten doorworstelen om vervolgens beneden op een andere rijweg terecht te komen. Mevrouw beloofde om z.s.m. een takelwagen te laten komen, ‘vanwege het gevaar’. Binnen een half uur zouden we uit onze benarde positie verlost worden.  We hielden de moed er in en de moraal hoog. Na een uur met voorbij suizend verkeer kwam een takelwagen langs en werd na overleg besloten dat wij in zijn geheel, als één pakket, er bovenop getakeld zouden worden. Een meegereden meneer van Rijkswaterstaat hield het verkeer met een soort seinpaaltje op de hoogte van naderend gevaar. Wij.                                                                                                                                                        De ketting werd aan de voorkant van de auto bevestigd en het langzaam omhoog  de helling opgetrokken worden veroorzaakte enige hilariteit. Daar stonden wij, op één hoog.

Vier kilometer verderop reden wij de parkeerplaats van de dichtstbijzijnde  McDonalds op. Ha, de koffie lonkte. De rest niet. Een eenzame auto met etende inzittenden keek verbaasd naar wat passeerde en zwaaide. Wij werden neer gelaten. Belden de Wegenwacht opnieuw, om te kijken wat de oorzaak van de stagnatie was en gingen wachten in de warme fel verlichte eetruimte van de hamburgergigant. Na een uur ging de telefoon, de Wegenwacht was gearriveerd. Wij begaven ons naar de auto. De kinderen voorop want die liepen het snelst. Mijn zus en ik volgden. Meneer was al aan het checken en was snel klaar: de distributieriem. Einde verhaal.

Het advies was nog geweest hem in januari te laten vervangen maar door allerlei omstandigheden was ik daar niet aan toe gekomen. En nu was het drie februari. Het luisterde schijnbaar nogal nauw.

Er werd een nieuwe takelwagen besteld en er stond, ergens, een leenauto op ons te wachten om ons naar huis te vervoeren. Dat was fijn. Ik wist ineens waarom ik al die jaren lid gebleven was van de Wegenwacht. Maar voordat het zo ver was, moesten we terugkeren naar de gezellige eetschuur. Na een uurtje werd ik gebeld en op mijn vraag hoe lang het zou duren voor de chauffeur er zou zijn antwoordde hij: ’Tien seconden.’ Dat moest ik even in twee tellen tot me door laten dringen. ‘Ik sta er al,’ sprak de man. Wij verplaatsten ons weer op dezelfde wijze naar buiten. De kinderen voorop en wij er achteraan waggelend.

De chauffeur zei direct dat Rudi niet mee in de cabine van zijn auto mocht. Directievoorschrift. De auto werd vastgemaakt en omhoog getakeld op de oplegger en Rudi verdween langzaam in zijn groen coltrui de hoogte in. Angstig het raam uit kijkend. De chauffeur had een groot hart, Rudi mocht op schoot toch mee. Nu waren wij aan de beurt. Hóe gingen we dít varkentje wassen.  Als eerste zou ik de cabine in ‘stappen’ en daarna zou men achter mij aan klimmen en over mij heen stappen. Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Ik moest mezelf eerst vermannen om op de eerste trede te stappen. Die bevond zich immers op zo’n tachtig centimeter hoogte. De volgende er recht boven. Ik trok me met alle kracht die ik had omhoog, mijn gewrichten niet sparend en van onderen geduwd door mijn drie kinderen. Ik zat, weliswaar scheef, maar ik zat ín de stoel. Nu mijn zus, bijna eenenzeventig en, zoals ze later grappen zou in de cabine onderweg, ooit stewardess geweest. Inmiddels konden er wel drie uit haar. Twee dikke zussen. Hetzelfde recept hielp haar (kreunend) de wagen in en uiteindelijk reden wij over nachtelijke wegen, langs donkere landerijen en een enorm verlicht Schiphol, tot wij op de plaats van bestemming kwamen: Badhoevedorp. En na wat papieren afhandelingen stapten wij, vele uren later, in een knalrode leenauto. De dikke zussen voorin, ongeveer zittend op de grond. Eerst zij naar huis en daarna wij. De reis had ongeveer zes uur geduurd en moe en opgewonden zochten wij ons bed op, waar wij de hele nacht door droomden over deze idiote ervaring en het einde van mijn auto die ons nooit eerder in de steek gelaten had en waar ik zeven jaar vele reizen en reisjes mee gemaakt had. Het was een spektakel van begin tot eind, van de kunst van de kunst tot de kunst om thuis te komen.

https://www.omroepwest.nl/nieuws/3580525/Roze-bubblegum-buizen-in-vijver-voor-Gemeentemuseum-Den-Haag

https://www.gemeentemuseum.nl/nl/tentoonstellingen/morgan-betz

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Sanatorium (Deel 2 Vakantiepret)

Sanatorium (Deel  2  van vakantiepret)

(Het is meer een kort verhaal geworden dan een eenvoudige blog…..)

Al jaren wilde ik weer eens naar het –voormalig- Oostblok. Ik heb altijd sterk het gevoel gehad dat ik mij daar op mijn plek voelde. Ik denk dat dat kwam omdat er een soort van basisgevoel is wat me aanspreekt. Het is niet allemaal zo opgeschroefd als in het  ‘Westblok’.  Het lijkt allemaal veel natuurlijker daar. Gewoon, niet eens ‘doe maar gewoon’, maar men is gewoon. Niet al die malle bombarie van hier om op te vallen. Zo massaal dat het weer standaard is geworden maar daardoor –voor mij vaak-  irritant. Misschien spreekt het me ook aan omdat de zwaarmoedigheid daar me aanspreekt.

Maar goed, ik kon mijn kinderen zo ver krijgen om er heen te gaan, vanwege die paarden natuurlijk, en ging thuis aan het puzzelen hoe de vakantie verder op te vullen. Iedereen had het druk en ik ook, achter de computer, zoekend. Bij elk voorstel hoorde ik óf niks of ‘ja, dat is goed.’ En dus boekte ik een aantal overnachtingen in een sanatorium in Zuid Polen. Dat leek me wel wat. Het zag er op de site vrij oud uit dus ik beeldde me van alles in. Dat de werkelijkheid iets anders zou zijn, wist ik toen nog niet.

Na de paarden en een tussenstop in Noord Tsjechië kwamen we aan bij het Sanatorium. Het bleek een spiksplinternieuw gebouw dat zelfs nog niet eens af was. Ons uitzicht was groen, maar ook een vrachtwagen wachtend in een bouwput. ’s Avonds zwermden er drommen zwaluwen langs het raam die vervolgens als één zwaluw onder een dak verdwenen. De kamers waren nieuw, alles glom. Bij aankomst op de gang hadden wij twee sleutels voor de twee kamers, ik ging in de ene kamer en de drie kinderen schielijk in de andere kamer. Ze voelden de bui al hangen: één van hen zou bij mij moeten  komen. In mijn vuistje lachend wat zich achter de tussenmuur afspeelde wachtte ik af wie de gelukkige zou worden. Mijn zoon kwam binnen, arme jongen, wéér met zijn moeder op een kamer. Ze hadden getost…

Bij de receptie hadden wij het een en ander geïnformeerd. De receptioniste was een dame van een jaar of vijftig in een hotpants en met een strak bloesje aan. Daar was hoofdzakelijk haar energie in gegaan, een buitenlandse taal sprak zij nauwelijks en doeltreffende informatie kon zij ook niet echt geven. Wel konden we het pakketje uitbreiden met een avondmaaltijd. Ontbijt zat er al bij in. Het was een uur of vier en wij konden vanaf halfzes in de eetzaal beneden mee-eten, tot halfzeven. Daartoe kregen wij een wit polsbandje. Om onze hals hingen we de ketting met de sleutel van onze kluis, onze slaapkamer. In de tussenliggende tijd besloten we van de ‘natte hoek’ gebruik te  maken. We daalden met de lift van de vierde verdieping naar de kelder en gingen naar het zwembad. Het was stil, deze zaterdagmiddag.  We stapten in een ondergronds zwembad dat een plastic bekleding had, niet hard maar zacht plastic. Het was hier en daar een beetje opgekropen. Maar het was lekker warm water, de sfeer was spannend want het was donker. Alleen het bubbelbad gaf verlichting en van boven kwam wat verlichting uit de glazen vloer van de parterre.  De sauna werkte pas vanaf zes uur.  We bubbelden wat, zwommen wat het waterpeil was diep genoeg, zoals de zwarte vetrand langs de badrand aangaf.

Na het zwemmen stegen we weer op naar de vierde, kleedden ons om en wilden plaats nemen in de eetzaal beneden. Het was tien voor half zes en er zaten veel mensen te eten. Aan de obers vroegen we of we al kónden plaatsnemen. Op een briefje werd geschreven: 17:30. Mens sprak geen andere taal en wij besloten te wachten. Duidelijk was dat deze maaltijd voor anderen was. Iedereen zat met smaak te eten in de klassiek ingerichte eetzaal. Op alle tafels stonden schalen met aardappel en geraspte wortel. Blijkbaar was dit een andere groep dan de gewone logé. Misschien een busreisgezelschap.

Om halfzes betraden wij de eetzaal en mochten zitten waar wij wilden. Er was een wisseling van buffet geweest en er stond nu op een centrale plek een overvloed aan dienbladen en schalen in warmhoud bakken.  Warm vlees, pasta’s aardappelen gekookt, ondefinieerbare sauzen, soepen, allerlei soorten salade, fèta, biber, tomaten, slablaadjes, boontjes, bietjes  enzovoorts enzovoorts.  Langs de kant stonden borden en bestekbakken. Het was een drukte van belang rond de centrale tafel.  Mensen waren gefixeerd op hun bord en hielden geen rekening met een naburige persoon. Men duwde de ander nog net niet weg maar dat was dan ook het enige. Met hoog opgetaste borden liep men af en aan. Heen en weer. De schaal met cake slonk zienderogen maar de obers vulden alles met spoed aan. Wij aten en waren afgeleid door zoveel indrukken. Evalueerden ter plekke wat tot grote hilariteit leidde. Bij ons dan. Zo zagen wij een vrouw die zo dik was dat zij rechtstandig moest gaan zitten om vervolgens haar tafelgenoten opdracht te geven extra cake te halen, eigenlijk in te slaan. De dagen erna gebeurde hetzelfde met deze personen. Maar nu met borden watermeloen of abrikozen. Er werd geen rekening mee gehouden dat anderen misschien ook een abrikoos wilde hebben, nee, voor de eigen club werden er (voor vier personen) twintig, dertig abrikozen ingeslagen. En deze avond werd bij vertrek nog even gestopt bij de cakeschaal. In een servet werden nog een stuk of wat stukken cake ingepakt. Misschien wel tien. De onbeschaamdheid  was groot en voor ons lachwekkend. Ik kreeg het gevoel in een film te figureren. Waren hier de dikke dames bezig, waar niet trouwens, even verderop zag ik een bejaarde versie van ons zangkoortje. Poolse of Russische vrouwen waarvan er overduidelijk één iets te vieren had.  Een jarige.  Er werd in een soort krom Duits gezongen. Alles vastgelegd door de actiefste van het  gemiddeld vijfenzeventigjarge gezelschap.

We waren klaar en de ober kwam vragen of we konden afrekenen. Ik zei hem dat we halfpension hadden. Hij verstond het niet en ging naar achteren om te bellen, wij zagen hem druk gesticulerend achter het raampje van de keukendeur. Totaal verzenuwd kwam hij na enige tijd terug. Hij was in de war want wij hadden een verkeerde kleur bandje om. Het was wit maar moest zwart zijn, dat gaf halfpension aan. Wit was alleen ontbijt. De witte moesten ingeleverd en er kwam een mooie zwarte voor terug. Ondertussen werd een nieuw buffet binnengerold. Het was halfzeven en tijd voor de volgende ronde, mensen met een blauw bandje. Stukken makreel, honderden worstjes en worsten, brood en pasta’s werden binnengedragen. Overmand door de aanblik van zoveel eten taaiden wij af. Slap geworden van het lachen en het eten. We zouden nog even naar de sauna gaan, als het eten gezakt was.

Om een uur of halfnegen gingen we wederom met de lift naar beneden, naar de sauna. Daar was een bedrijvigheid van dikke en oude mensen. Er waren twee sauna’s een enorme stoomcabine en natuurlijk weer het bubbelbad en het morsige maar wel lekkere zwembad. Wij kozen voor het stoomhok. Men kon geen hand voor ogen zien. Daarna gingen we de sauna in. Het was er druk. In de hoek zat een vrouw met stalen tanden. Bijna tachtig was ze en vertelde brutale verhalen. Maar onschuldig. Ze had haar leven als Duitse doorgebracht in Kazachstan en wonde sinds die Wende in het oosten van Duitsland. Om af te koelen zat ze af en toe even buiten tussen een aantal oude mannen en babbelde in het Russisch. Ze wilde van alles van ons weten, kwam bij ons in het zwembad en de volgende ochtend scheen ze ons niet meer te herkennen, hetgeen wij nogal apart vonden. Zij liep langs ons met haar korte roodgeverfde haar en haar tanden schitterden, ze keek ons aan maar zei niets.

Die ochtend werd ons een dame gewaar die wij nog niet eerder gezien hadden. Een vrouw met een breedte van zo’n één meter vijfentwintig, een lengte van één meter zestig. Een doorsnede van zo’n één meter vijftig. Wat het eerste opviel was dat haar enkels zo dik waren dat haar hielen als hoefjes ertussen stonden. Het vette vlees eromheen gedrapeerd. Haar voetjes staken in rubberen slippers met er bovenop een bloem, een margriet. Om de bandjes heen puilde het vlees van haar wreef. Zij schepte en schepte van de schalen met worsten en worstjes, eiersalade, plakken worst, ham en kaas, kwark, zoute augurken, tomaat, biber (alweer) en fèta. En wat al niet meer. Met twee borden schoof zij naar haar tafel. Daar werkte ze de hoeveelheden naar binnen om even later nógmaals langs te trekken. En hoewel ik zelf ook bepaald tot de dikkerds behoor, werd zij mijn angstbeeld.  Zeker toen ik op de dag van vertrek zag dat zij zowel bozig als uitdagend keek. Haar dikte legitimerend.

Maandags konden we eindelijk proberen om ons te laten verwennen. Hoewel de receptioniste niet goed had kunnen uitleggen hoe alles in zijn werk ging, wisten wij dat er allerlei mogelijkheden waren tot ontspanning. Er waren modderbaden, chocolademassages, honing massages, pedicures enz. Ons was verteld dat, wilden wij in aanmerking komen voor een behandeling, wij maandag vanaf acht uur beneden in de gang bij het zwembad ons konden melden. Dat deden wij. En wat troffen wij daar aan? De kinderen hadden al allerlei mensen met papieren in mapjes door het hotel zien trekken en er was op onze verdieping ook wel een Radon-art en een psycholoog, er was ook lymfe dreinage, elektrotherapie en andere gekkigheid, maar beneden in de gang lopend zagen wij allemaal deuren van kamertjes open waarachter mensen bijvoorbeeld boven bakken zaten te ‘inhaleren’.  Wij wilden informatie hebben over de massages en de pedicure. De laatste was er niet en de massages werden door Paula gedaan. Op mijn vraag wie Paula was, was het antwoord dat zij op de vierde werkte met Heilgymnastiek. Hoe Paula er dan uit zag, hoe oud ze was. In gebrekkig Duits kwamen wij stapje voor stapje dichter bij de ontknoping maar haakten uiteindelijk af. Het was allemaal te druk. Het zag er ook engig uit. Wie gaf de garantie dat het er niet spookte. Wie zegt dat het echte artsen waren, in dit sanatorium. Waar ooit op enkele tientallen kilometers verderop ook allerlei geëxperimenteer plaatsgevonden had, in een ander tijdsgewricht. We gingen wandelen.

De kinderen vonden het allemaal vreselijk om aan te zien. Ik kreeg een beetje Fellini-gevoel. Kon mijn ogen niet afhouden van hetgeen aan mij voorbij trok. Prachtig, ik genoot. Tot dag vier, toen we vertrokken naar een volgend Pools resort. Daar werd de schrik nog groter omdat het Valkenburg in Polen bleek te zijn. De hotelkamer een martelkamer, zo slecht waren de bedden, in de ontbijtzaal klonk om negen uur ’s ochtends keiharde house. De aanblik van de schranspartijen trokken wij ook niet meer. We regelden dat we eerder konden vertrekken en met gierende banden keerden we na twee nachten gebroken westwaarts. Richting Dresden.

Nee, de kinderen had dit allemaal niet bekoord, met name Polen niet. De Tsjechen kwamen er beter vanaf. De tijd had stil gestaan, tot mijn genoegen. Maar niet tot dat van de kinderen. De paardenboerderij was en bleef het hoogtepunt. Daar komen we dan nog  weer voor terug.