WOKKEL

Wokkel

(of: schets van onze generatie)

‘Je kunt jezelf op dit moment het beste vergelijken met een wokkel,’ sprak de huisarts. Ik was onder andere bij haar om de tijdelijke ongemakken te bespreken en de medicatie die daarbij gepast zou zijn. Nu ik zo dom gevallen was op mijn (daardoor afgebroken) vakantiereis en mijn operatie moest uitstellen, verstreken de weken nóg minder soepel.                                                                                                                                                                                                            ‘Je gaat om te ontlasten een andere houding aannemen, dan krijg je daar ook weer last van en ga je wéér een andere houding aannemen en uiteindelijk loop je als een wokkel rond.’  Daar kon ik me wel in vinden. Van linkerknie naar rechterheup en dan ook nog linkerschouder, allemaal versleten tot op het bot, letterlijk. Daardoor gevallen en uiteindelijk heb je ín je eigen lichaam ook nog Twister gedaan, een spel dat uit kwam toen ik in de hoogste groep van de basisschool zat en toen, zonder enige moeite, me in bochten kon wringen waar ik nu nog van kwijlen kan. Maar ja, ‘Vergangenheit’. Tijden verstrijken. Souplesse vergaat, en slijtage gaat in het kwadraat…. Een hedendaags rijmpje voor in een Poëzie-album.

Van alle kanten werd ik opgemonterd: ‘die en die heeft ook een nieuwe heup. En die en die kon al heel snel weer lopen als een kievit.’                                                                                                                                                                                                                         Dát bood troost. Ik verkeerde zelf nog in het voorstadium: de verlengde wachtkamer. Na uitstel nu opnieuw de denkbeeldige wachtkamer. Even volhouden, nog een paar weken.

Uit alle hoeken kwamen nu berichten van vrienden, van vrienden van vrienden, van bekenden van vrienden, de gewrichtenpolitie had het er maar druk mee. Iedereen had het op zijn heupen gekregen, hele en halve waren vervangen. Doorgezaagde bovenbenen met een nieuw blinkend stuk er in.                                                                                                                                                                  Mijn grootste angst was ooit ’s nachts in mijn halfslaap binnengekomen: wat als de dokter afzaagt en ineens niet meer weet hoe het ook alweer verder moest….. Dan ben je wel een stuk kwijt maar dan.  ‘Nee, gek, natuurlijk weet hij dat. Haal je niet van die enge dingen in je hoofd.’                                                                                                                                                                                     En als stap één gezet is, grappig in dit verband (ook grappig; verband), dan stap twee: het doormidden zagen van de knie. Getver, wát een teloorgang. Ooit in één geheel op de wereld gezet en nu, door slijtage, om wat voor reden ook, het ‘doorgezaagde meisje’ worden, tegen wil en dank. Het stemde niet zo vrolijk.                                                                                                                                                                                                             En trouwens, die schouder, waar kwam dat vandaan? Ik had nooit op mijn handen kunnen lopen. Naast een wokkel is het lichaam ook een rare snijboon, als jet het van een afstand bekijkt.

Maar zelfs mijn beste vriend (een van de) had er aan moeten geloven, op krukken vervroegd terug van vakantie wegens een ander ongemak, wondroos. En wat te denken van die andere vriend, die vroeger de politie uitdaagde op Luilak, in de Beethovenstraat, toen hij nog een fietsband over de weg spande en op het moment dat de motoragent-met-zijspan er aan kwam, bullepees in de aanslag, liet hij los. Zie hem nu. ‘Waar staat de auto?’ Turend naar een vehikel dat op dertig meter afstand staat probeert hij zijn kansen in te schatten: haal ik dit of niet.                                                                                                                                                                       Mijn tip om een stok in de arm (hand) te gaan nemen in de wind slaand: ‘NEVER!’

Het is duidelijk, het tij is aan het keren voor ons. Een (soms letterlijk) kantelend tijdperk, dat van de ouderdom dat zijn intrede doet. We dènken dan wel dat we nog vijftien zijn, het moment waarop wij elkaar leerden kennen. En nu, vijftig jaar later, (ver-) stappen wij onvoorzichtig de toekomst in, met alle gevolgen van dien.

 

 

Advertenties

…..een klein hoekje……

 

Halftwaalf reden we de straat uit. De wijde wereld in, met een zonnig gemoed, vrijheid in het verschiet. Wéken had ik zitten timmeren aan een programma dat zoveel mogelijk iedereen bediende. We hadden er enorme zin in. Rond één uur passeerden we de Nederlands–Duitse grens, voorwaarts, op naar de Harz, voor de eerste overnachting met ’s avonds uitzicht vanaf een groot terras over de bossen. En morgen in Tsjechië, een pension in een mooi gebied, niet ver van het eerste langduriger verblijf. Dn hoefden we niet zo’n eind te rijden en waren we al in Tsjechië. In Oostenrijk zouden wij –wat later- allen tezamen komen.

In het Sauerland naderden we een file, sprak Tomtom, en besloten die te vermijden en kozen een alternatieve route. We reden over landwegen, prachtig landschap. In een gehucht besloot ik te tanken. Enigszins stijf door het zitten, stapte ik voorzichtig uit en begaf me met één stok ter ondersteuning naar de slang en gooide de boel vol. Daarna stapte ik stram over het stoepje en liep richting huisje om af te rekenen. Of het ouderdom is, mobiliteit, debiliteit, ik weet het niet maar ineens werd mijn voet een opstaand hellinkje gewaar, ik begon te uit koers te geraken, riep, of dacht, nog ‘nee, nee…’. Te laat. Met een enorme smak kletterde ik (gelukkig 40 kilo lichter) tegen de harde vlakte. Ik voelde dat het mis was, sjorde mijn onder mijn linkerzij verstopte hand tevoorschijn en gruwde bij de aanblik. Mijn hand had een eigen richting genomen ten opzichte van mijn onderarm. Het personeel kwam naar buiten gesneld en vroeg een ambulance te bellen. ‘Ja,’ sprak ik luid en duidelijk, ‘ich habe meine Hand gebrochen,’voegde ik er aan toe. ‘Nein,’zei de mevrouw. ‘JA,’ sprak ik, und die Kinder sind im Wagen.’ Na korte tijd kwamen de kinderen uit eigen beweging omdat ze meenden te horen dat hun moeder ruzie aan het maken was…. Zij dachten een kind op de grond te zien liggen. In beide gevallen: mispoes.

Daarna ging het razendsnel; ambulance kwam, moeder werd eerst grauw, toen groen. Ik sprak en hoorde de duivel die in mij gevaren was, een onherkenbare zware stem, het was doodeng, het voelde als dood. Daarna werd ik met vereende krachten op een brancard gehesen en dertig kilometer verderop in een Evangelisches Krankenhaus binnengereden. Het was maar goed dat al het aanroepen van de heer niet geregistreerd was.                                                                       Het ging snel, foto’s, en Dr. Bernard die bij mijn bed kwam staan en de eerste woorden sprak:  ‘Oranje boven.’

‘Bitte?’ vroeg ik, niet begrijpend wat ik hoorde.  ‘Oranje boven,’ herhaalde hij, en keek er guitig bij. Ik wist wel waar hij op ‘doelde’. Nu, een paar dagen later, en zelf met veel plezier 99 Luftbalonns   rondgestuurd, na de nederlaag van die Mannschaft, na 99 minuten, heb ik denk ik hetzelfde gevoel, darüber.    (https://www.youtube.com/watch?v=La4Dcd1aUcE)

Een gecompliceerde breuk. Ik mocht kiezen tussen naar Amsterdam gerepatrieerd worden en daar geopereerd, of hier ter plekke. Dr Bernard was de Chef, dat was me inmiddels meerdere malen verteld geworden. Ik koos voor hier, in dit zomerse skigebied. Daar was voldoende kennis van zaken. Ik was al blij dat ik niet in Tsjechië was op dit moment. En Dr. Bernard traumachirurg vandaag dienst had.

Binnen een uur lag ik op de OK onder zeil, en ontwaakte weer later in een kamer, een plaatje in mijn pols rijker. De dames om mij heen verkeerden in andere sferen. De een angstig voor een operatie de dag er na, de ander had een darmonderzoek op komst. Dat laatste was een feest dat breed gedeeld werd op de kamer. Tientallen keren dook de dame de WC in. Zelf was ze doof maar voor ons was er geen moment dat verloren ging. Het geknetter was niet van de lucht…. De lucht zelf was niet van vandaag maar van gisteren,  eergisteren en had een lange weg afgelegd. Mevrouw zelf had het koud en sloot het raam om vervolgens buiten te gaan roken, een gevaarlijk actie met zoveel aandrang, zou ik zeggen. Ik zou het niet gedurfd  hebben. Het was immers onvoorspelbaar wanneer er weer een golf aan kwam. Wij lagen ondertussen in de stank.  Evangelisches Krankenhaus zou beter mevrouw een eigen kamer kunnen geven, dacht ik nog.

De kinderen waren ondertussen met Rudi-Hund in een hotel om de hoek getrokken. De temperatuur was letterlijk ook flink gedaald, zo’n tien graden. Er werden spullen gekocht die noodzakelijk waren. Waaronder een cadeautje van beide dochters met afbeeldingen van Cactus-se(n). (Spreek hardop uit. Woord-in-beeld…)

Na twee nachten mocht ik me bij hen voegen, ik werd ontslagen. Maar nu uit het Krankenhaus. En de folders die de mevrouw van het Deutsche Oe Vee Vee had aangereikt en waarbij ze mij ervan wist te overtuigen dat ik ook Communion kon doen, hoefde ik niet aan te spreken. Ik weet niet eens wat Communion ist. Zou zij mij gehoord hebben….

De laatste twee gedwongen dagen in Paderborn werd ik in een rolstoel vervoerd, van vor dem Kriege. Een oud kreng. Dochters duwden me tegen de plaatselijke hellingen van de Sauerlandse stad op. Ik zat als een bejaarde er in. Grauw, maar niet meer zo. Heerlijk een frisse neus halend.  Zeer liefdevol verzorgd door mijn geschrokken schaapjes.

En zo keerden wij na vier dagen terug, opgehaald in eigen auto door de ANWB, om ook een beetje duurzaam mee te denken en uit te sparen en het praktische met het financiële te combineren……..                                                      Denkend aan de toekomst.

De vakantie had precies drieënhalfuur geduurd. Net zo lang als dit stukje tikken met één vinger.

 

Sleutel 1

 

 

Jarenlang liep ik met een indrukwekkende bos sleutels aan mijn keykoord. De sleutels openden voor mij deuren die voor anderen dicht bleven. Het huis van mijn ouders bijvoorbeeld. De deur naar mijn werk. Het slot van mijn fiets. Het slotje van het kinderstoeltje aan mijn stuur.

Met het verstrijken der tijd, werd het belang kleiner. Mijn vader overleed in 1994, mijn moeder verhuisde dementerend in 2001 en daarna ruimden wij haar huis op. Lieten het leeg achter voor nieuwe bewoners. Het slot werd vervangen en geplaatst op een mij onbekende deur in de buurt. Ik zou alle nieuwe sloten van de daarna nieuw betrokken woningen moeten uitproberen en dan, als een deur zich opende, er achter komen dat ik mijn ouders hier niet zou vinden.

De deur naar mijn werk werd voorgoed dicht getrokken door de situatie met onze nieuwe leidinggevende, die nooit begrepen had wat dat inhield, leiding geven. Maar vrolijk overal een nieuwe ravage aanricht(te) om vervolgens te vertrekken, wel of niet gedwongen.

Mijn fietssloten werden af en toe vervangen omdat het slot niet goed meer werkte, stroef door roest en vuil.

Het kinderzitje, ach, daar passen de kinderen al lang niet meer in. Ze hebben inmiddels zelf de leeftijd om ouder te worden.

Lang liep ik nog met de sleutels aan mijn bos. De zwembadsleutel, die mijn moeders deur in het tehuis opende, had ik gelijk gedwongen afgestaan. Het was een overblijfsel uit mijn prille werkperiode en ik had hem aan het personeel uitgeleend. Maar deze bos overblijfselen bungelde storend aan mijn nek. En op een dag besloot ik hem eraf te halen. Hij ligt hier voor mij op mijn bureau; een stille getuige uit een werkzaam en druk bestaan. Ik sluit het er mee af.

Nu is er tijd voor nieuwe sleutels, sleutels voor de toekomst. Een leven met meer rust en lichtheid. Kleur. Evenwicht misschien. Ik moet nog even de precieze sleutel vinden, maar ik heb de baard al een beetje op orde.

 

Sleutel 2

Die baard, die langzaam begint te passen in het slot dat toekomst heet. Die baard daar werd op vijftien januari jongstleden vorm aan gegeven, de eerste randjes werden geslepen.

Na heel lang wikken en wegen, een hoop angsten, besloot ik de stap te wagen en liet mij van binnen omvormen. De gedachte dat ik daar zelf bij moest laten ingrijpen stond mij tegen. Immers, ik was keurig gebreid op de aarde gekomen. Alles werkte. Hoewel…. Ik had last van een groeiend probleem; mijn gewicht. Door alle stress en andere zaken (waaronder eten hooguit een bijzaak was, want dat viel reuze mee, blijf ik ook nu zeggen), kwamen de kilo’s er aan, wat zeg ik, vlógen ze er aan. En na alle druk begon ik te bezwijken en kwam op een kruispunt. Afgelopen zomer was de doorbraak: mijn kinderen maakten prachtige wandelingen en ik wachtte op de parkeerplaats. Invalide.

Ik had voor de zomervakantie een klein voorzetje gegeven en bedacht dat ik wel zou zien waar het schip zou stranden. Nou, dat was dus hier, daar, op die parkeerplaats. Bij wandelgebieden, supermarkten, hotels, huisjes enz. Zíj sleepten alles in en uit de bolide en ik volgde met toen nog één stok. Ik zette dóór en nu, bijna een jaar later dan dat moment, ben ik verlost van veel ballast. Ondersteund door twee stokken, wachtend op (titanium) herstel van slijtage, beweeg ik mij ‘vederlicht’ door het leven. Ik sta op, ga zitten en denk: waar is mijn moment van zwaartepunt gebleven? Achter mij gelaten. Zittend wacht ik tot ik een ons ga wegen. De baard van mijn nieuwe sleutel krijgt steeds meer vorm, lijn, net als mijn lichaam. En ik omhul mezelf inmiddels met meer kleur. Heb mijn werkkleding van decennia zo langzamerhand een beetje op een hoop gegooid. Ik wil met mijn nieuwe sleutel, als hij af is, nieuwe sloten gaan uitproberen. Nieuwe toekomsten ingaan. Ik heb gemerkt dat het kan. Zoals ik vroeger de wijzer steeds meer naar rechts zag bewegen, de digitale cijfers opliepen, zo is er op dat gebied een teruggang die tegelijkertijd een vooruitgang is. Ik had het voor onmogelijk gehouden maar de beslissing die ik genomen heb, is de beste beslissing ooit. Nog even verder aan mijn baard werken zodat alles goed past.

 

 

De Opening

MorganMorgan Betz

De opening

We gingen met zijn vijven naar de opening. Mijn Grote Neef had zich geruime tijd toegelegd op nieuw werk voor zijn expositie in het Haags Gemeentemuseum. Goed gemutst reden we met zijn vijven in de bolide, met zijn zessen eigenlijk: mijn zus, tegelijk de moeder van de kunstenaar, drie van mijn kinderen en Rudi de hond. Voor hem hadden we een dik pak dekens meegenomen want het was koud en hij moest de tijd in de auto overbruggen.

Keurig op tijd kwamen wij aan en konden pal voor de deur parkeren. Mijn middelgrote neef, maar wel de langste, had voor mij een rolstoel gepakt vanwege mijn –hopelijk momenteel- slechte benen. Hij reed mij langs een rijtje heren en wij stelden ons aan elkaar voor. Geen van ons had enig idee wie de ander was. Het had iets absurdistisch.

In de grote ruimte van het museum werd iedereen opgewacht met een glaasje en wat bakjes met pinda’s (meest verontreinigde snack, veelal met urine besmet). De kunstenaar had, bescheiden als hij is, zich tussen de menigte geschaard en toen de lovende toespraken kwamen, was hij niet één, twee, drie te traceren.

Nu konden we naar de zaal met de schilderijen en andere objecten. Buiten waren we al onthaald op twee enorme roze buizen in een vijver, binnen was een mooi bankje in de vorm van een been met schoen, een soort schoot. Ook de oranje staldeur was erg geestig. We liepen rond, hoewel, ik werd nadat ik per goederenlift via de keuken naar boven gehesen was, rond geduwd. Er werd gekeken, gekeurd, besproken en gekocht.

Terug gekeerd in de grote zaal beneden kwamen de vlammetjes, bitterballen en ander ongezond frituur langs. De Koning van de Jiskefet deed zijn naam eer aan, hij schuifelde achter de bediende met het mandje aan om niks te missen.

De gong ging en de sessie was afgelopen. Wij gingen huiswaarts. Rudi was nog gecontroleerd in de auto en lag heerlijk te slapen in de dekens en wij stapten nu om hem heen in. We zwaaiden de kunstenaar gedag en reden terug richting de hoofdstad.

Na een kwartier ongeveer, en net uit de tunnel, voelde ik dat mijn gaspedaal niet meer het effect had wat zou moeten. Net het benzinestation gepasseerd rolde ik uit tot de vluchtstrook. Daar stonden wij. Geen beweging meer in de auto te krijgen. Nog een half uur gaans. Mijn telefoon had het eveneens begeven en met een van de aanwezige telefoons belde ik de Wegenwacht. Of wij achter de vangrail konden gaan staan. Nee, onmogelijk, dan zouden wij ons eerst tussen rechtopstaande flappen moeten doorworstelen om vervolgens beneden op een andere rijweg terecht te komen. Mevrouw beloofde om z.s.m. een takelwagen te laten komen, ‘vanwege het gevaar’. Binnen een half uur zouden we uit onze benarde positie verlost worden.  We hielden de moed er in en de moraal hoog. Na een uur met voorbij suizend verkeer kwam een takelwagen langs en werd na overleg besloten dat wij in zijn geheel, als één pakket, er bovenop getakeld zouden worden. Een meegereden meneer van Rijkswaterstaat hield het verkeer met een soort seinpaaltje op de hoogte van naderend gevaar. Wij.                                                                                                                                                        De ketting werd aan de voorkant van de auto bevestigd en het langzaam omhoog  de helling opgetrokken worden veroorzaakte enige hilariteit. Daar stonden wij, op één hoog.

Vier kilometer verderop reden wij de parkeerplaats van de dichtstbijzijnde  McDonalds op. Ha, de koffie lonkte. De rest niet. Een eenzame auto met etende inzittenden keek verbaasd naar wat passeerde en zwaaide. Wij werden neer gelaten. Belden de Wegenwacht opnieuw, om te kijken wat de oorzaak van de stagnatie was en gingen wachten in de warme fel verlichte eetruimte van de hamburgergigant. Na een uur ging de telefoon, de Wegenwacht was gearriveerd. Wij begaven ons naar de auto. De kinderen voorop want die liepen het snelst. Mijn zus en ik volgden. Meneer was al aan het checken en was snel klaar: de distributieriem. Einde verhaal.

Het advies was nog geweest hem in januari te laten vervangen maar door allerlei omstandigheden was ik daar niet aan toe gekomen. En nu was het drie februari. Het luisterde schijnbaar nogal nauw.

Er werd een nieuwe takelwagen besteld en er stond, ergens, een leenauto op ons te wachten om ons naar huis te vervoeren. Dat was fijn. Ik wist ineens waarom ik al die jaren lid gebleven was van de Wegenwacht. Maar voordat het zo ver was, moesten we terugkeren naar de gezellige eetschuur. Na een uurtje werd ik gebeld en op mijn vraag hoe lang het zou duren voor de chauffeur er zou zijn antwoordde hij: ’Tien seconden.’ Dat moest ik even in twee tellen tot me door laten dringen. ‘Ik sta er al,’ sprak de man. Wij verplaatsten ons weer op dezelfde wijze naar buiten. De kinderen voorop en wij er achteraan waggelend.

De chauffeur zei direct dat Rudi niet mee in de cabine van zijn auto mocht. Directievoorschrift. De auto werd vastgemaakt en omhoog getakeld op de oplegger en Rudi verdween langzaam in zijn groen coltrui de hoogte in. Angstig het raam uit kijkend. De chauffeur had een groot hart, Rudi mocht op schoot toch mee. Nu waren wij aan de beurt. Hóe gingen we dít varkentje wassen.  Als eerste zou ik de cabine in ‘stappen’ en daarna zou men achter mij aan klimmen en over mij heen stappen. Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Ik moest mezelf eerst vermannen om op de eerste trede te stappen. Die bevond zich immers op zo’n tachtig centimeter hoogte. De volgende er recht boven. Ik trok me met alle kracht die ik had omhoog, mijn gewrichten niet sparend en van onderen geduwd door mijn drie kinderen. Ik zat, weliswaar scheef, maar ik zat ín de stoel. Nu mijn zus, bijna eenenzeventig en, zoals ze later grappen zou in de cabine onderweg, ooit stewardess geweest. Inmiddels konden er wel drie uit haar. Twee dikke zussen. Hetzelfde recept hielp haar (kreunend) de wagen in en uiteindelijk reden wij over nachtelijke wegen, langs donkere landerijen en een enorm verlicht Schiphol, tot wij op de plaats van bestemming kwamen: Badhoevedorp. En na wat papieren afhandelingen stapten wij, vele uren later, in een knalrode leenauto. De dikke zussen voorin, ongeveer zittend op de grond. Eerst zij naar huis en daarna wij. De reis had ongeveer zes uur geduurd en moe en opgewonden zochten wij ons bed op, waar wij de hele nacht door droomden over deze idiote ervaring en het einde van mijn auto die ons nooit eerder in de steek gelaten had en waar ik zeven jaar vele reizen en reisjes mee gemaakt had. Het was een spektakel van begin tot eind, van de kunst van de kunst tot de kunst om thuis te komen.

https://www.omroepwest.nl/nieuws/3580525/Roze-bubblegum-buizen-in-vijver-voor-Gemeentemuseum-Den-Haag

https://www.gemeentemuseum.nl/nl/tentoonstellingen/morgan-betz

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Sanatorium (Deel 2 Vakantiepret)

Sanatorium (Deel  2  van vakantiepret)

(Het is meer een kort verhaal geworden dan een eenvoudige blog…..)

Al jaren wilde ik weer eens naar het –voormalig- Oostblok. Ik heb altijd sterk het gevoel gehad dat ik mij daar op mijn plek voelde. Ik denk dat dat kwam omdat er een soort van basisgevoel is wat me aanspreekt. Het is niet allemaal zo opgeschroefd als in het  ‘Westblok’.  Het lijkt allemaal veel natuurlijker daar. Gewoon, niet eens ‘doe maar gewoon’, maar men is gewoon. Niet al die malle bombarie van hier om op te vallen. Zo massaal dat het weer standaard is geworden maar daardoor –voor mij vaak-  irritant. Misschien spreekt het me ook aan omdat de zwaarmoedigheid daar me aanspreekt.

Maar goed, ik kon mijn kinderen zo ver krijgen om er heen te gaan, vanwege die paarden natuurlijk, en ging thuis aan het puzzelen hoe de vakantie verder op te vullen. Iedereen had het druk en ik ook, achter de computer, zoekend. Bij elk voorstel hoorde ik óf niks of ‘ja, dat is goed.’ En dus boekte ik een aantal overnachtingen in een sanatorium in Zuid Polen. Dat leek me wel wat. Het zag er op de site vrij oud uit dus ik beeldde me van alles in. Dat de werkelijkheid iets anders zou zijn, wist ik toen nog niet.

Na de paarden en een tussenstop in Noord Tsjechië kwamen we aan bij het Sanatorium. Het bleek een spiksplinternieuw gebouw dat zelfs nog niet eens af was. Ons uitzicht was groen, maar ook een vrachtwagen wachtend in een bouwput. ’s Avonds zwermden er drommen zwaluwen langs het raam die vervolgens als één zwaluw onder een dak verdwenen. De kamers waren nieuw, alles glom. Bij aankomst op de gang hadden wij twee sleutels voor de twee kamers, ik ging in de ene kamer en de drie kinderen schielijk in de andere kamer. Ze voelden de bui al hangen: één van hen zou bij mij moeten  komen. In mijn vuistje lachend wat zich achter de tussenmuur afspeelde wachtte ik af wie de gelukkige zou worden. Mijn zoon kwam binnen, arme jongen, wéér met zijn moeder op een kamer. Ze hadden getost…

Bij de receptie hadden wij het een en ander geïnformeerd. De receptioniste was een dame van een jaar of vijftig in een hotpants en met een strak bloesje aan. Daar was hoofdzakelijk haar energie in gegaan, een buitenlandse taal sprak zij nauwelijks en doeltreffende informatie kon zij ook niet echt geven. Wel konden we het pakketje uitbreiden met een avondmaaltijd. Ontbijt zat er al bij in. Het was een uur of vier en wij konden vanaf halfzes in de eetzaal beneden mee-eten, tot halfzeven. Daartoe kregen wij een wit polsbandje. Om onze hals hingen we de ketting met de sleutel van onze kluis, onze slaapkamer. In de tussenliggende tijd besloten we van de ‘natte hoek’ gebruik te  maken. We daalden met de lift van de vierde verdieping naar de kelder en gingen naar het zwembad. Het was stil, deze zaterdagmiddag.  We stapten in een ondergronds zwembad dat een plastic bekleding had, niet hard maar zacht plastic. Het was hier en daar een beetje opgekropen. Maar het was lekker warm water, de sfeer was spannend want het was donker. Alleen het bubbelbad gaf verlichting en van boven kwam wat verlichting uit de glazen vloer van de parterre.  De sauna werkte pas vanaf zes uur.  We bubbelden wat, zwommen wat het waterpeil was diep genoeg, zoals de zwarte vetrand langs de badrand aangaf.

Na het zwemmen stegen we weer op naar de vierde, kleedden ons om en wilden plaats nemen in de eetzaal beneden. Het was tien voor half zes en er zaten veel mensen te eten. Aan de obers vroegen we of we al kónden plaatsnemen. Op een briefje werd geschreven: 17:30. Mens sprak geen andere taal en wij besloten te wachten. Duidelijk was dat deze maaltijd voor anderen was. Iedereen zat met smaak te eten in de klassiek ingerichte eetzaal. Op alle tafels stonden schalen met aardappel en geraspte wortel. Blijkbaar was dit een andere groep dan de gewone logé. Misschien een busreisgezelschap.

Om halfzes betraden wij de eetzaal en mochten zitten waar wij wilden. Er was een wisseling van buffet geweest en er stond nu op een centrale plek een overvloed aan dienbladen en schalen in warmhoud bakken.  Warm vlees, pasta’s aardappelen gekookt, ondefinieerbare sauzen, soepen, allerlei soorten salade, fèta, biber, tomaten, slablaadjes, boontjes, bietjes  enzovoorts enzovoorts.  Langs de kant stonden borden en bestekbakken. Het was een drukte van belang rond de centrale tafel.  Mensen waren gefixeerd op hun bord en hielden geen rekening met een naburige persoon. Men duwde de ander nog net niet weg maar dat was dan ook het enige. Met hoog opgetaste borden liep men af en aan. Heen en weer. De schaal met cake slonk zienderogen maar de obers vulden alles met spoed aan. Wij aten en waren afgeleid door zoveel indrukken. Evalueerden ter plekke wat tot grote hilariteit leidde. Bij ons dan. Zo zagen wij een vrouw die zo dik was dat zij rechtstandig moest gaan zitten om vervolgens haar tafelgenoten opdracht te geven extra cake te halen, eigenlijk in te slaan. De dagen erna gebeurde hetzelfde met deze personen. Maar nu met borden watermeloen of abrikozen. Er werd geen rekening mee gehouden dat anderen misschien ook een abrikoos wilde hebben, nee, voor de eigen club werden er (voor vier personen) twintig, dertig abrikozen ingeslagen. En deze avond werd bij vertrek nog even gestopt bij de cakeschaal. In een servet werden nog een stuk of wat stukken cake ingepakt. Misschien wel tien. De onbeschaamdheid  was groot en voor ons lachwekkend. Ik kreeg het gevoel in een film te figureren. Waren hier de dikke dames bezig, waar niet trouwens, even verderop zag ik een bejaarde versie van ons zangkoortje. Poolse of Russische vrouwen waarvan er overduidelijk één iets te vieren had.  Een jarige.  Er werd in een soort krom Duits gezongen. Alles vastgelegd door de actiefste van het  gemiddeld vijfenzeventigjarge gezelschap.

We waren klaar en de ober kwam vragen of we konden afrekenen. Ik zei hem dat we halfpension hadden. Hij verstond het niet en ging naar achteren om te bellen, wij zagen hem druk gesticulerend achter het raampje van de keukendeur. Totaal verzenuwd kwam hij na enige tijd terug. Hij was in de war want wij hadden een verkeerde kleur bandje om. Het was wit maar moest zwart zijn, dat gaf halfpension aan. Wit was alleen ontbijt. De witte moesten ingeleverd en er kwam een mooie zwarte voor terug. Ondertussen werd een nieuw buffet binnengerold. Het was halfzeven en tijd voor de volgende ronde, mensen met een blauw bandje. Stukken makreel, honderden worstjes en worsten, brood en pasta’s werden binnengedragen. Overmand door de aanblik van zoveel eten taaiden wij af. Slap geworden van het lachen en het eten. We zouden nog even naar de sauna gaan, als het eten gezakt was.

Om een uur of halfnegen gingen we wederom met de lift naar beneden, naar de sauna. Daar was een bedrijvigheid van dikke en oude mensen. Er waren twee sauna’s een enorme stoomcabine en natuurlijk weer het bubbelbad en het morsige maar wel lekkere zwembad. Wij kozen voor het stoomhok. Men kon geen hand voor ogen zien. Daarna gingen we de sauna in. Het was er druk. In de hoek zat een vrouw met stalen tanden. Bijna tachtig was ze en vertelde brutale verhalen. Maar onschuldig. Ze had haar leven als Duitse doorgebracht in Kazachstan en wonde sinds die Wende in het oosten van Duitsland. Om af te koelen zat ze af en toe even buiten tussen een aantal oude mannen en babbelde in het Russisch. Ze wilde van alles van ons weten, kwam bij ons in het zwembad en de volgende ochtend scheen ze ons niet meer te herkennen, hetgeen wij nogal apart vonden. Zij liep langs ons met haar korte roodgeverfde haar en haar tanden schitterden, ze keek ons aan maar zei niets.

Die ochtend werd ons een dame gewaar die wij nog niet eerder gezien hadden. Een vrouw met een breedte van zo’n één meter vijfentwintig, een lengte van één meter zestig. Een doorsnede van zo’n één meter vijftig. Wat het eerste opviel was dat haar enkels zo dik waren dat haar hielen als hoefjes ertussen stonden. Het vette vlees eromheen gedrapeerd. Haar voetjes staken in rubberen slippers met er bovenop een bloem, een margriet. Om de bandjes heen puilde het vlees van haar wreef. Zij schepte en schepte van de schalen met worsten en worstjes, eiersalade, plakken worst, ham en kaas, kwark, zoute augurken, tomaat, biber (alweer) en fèta. En wat al niet meer. Met twee borden schoof zij naar haar tafel. Daar werkte ze de hoeveelheden naar binnen om even later nógmaals langs te trekken. En hoewel ik zelf ook bepaald tot de dikkerds behoor, werd zij mijn angstbeeld.  Zeker toen ik op de dag van vertrek zag dat zij zowel bozig als uitdagend keek. Haar dikte legitimerend.

Maandags konden we eindelijk proberen om ons te laten verwennen. Hoewel de receptioniste niet goed had kunnen uitleggen hoe alles in zijn werk ging, wisten wij dat er allerlei mogelijkheden waren tot ontspanning. Er waren modderbaden, chocolademassages, honing massages, pedicures enz. Ons was verteld dat, wilden wij in aanmerking komen voor een behandeling, wij maandag vanaf acht uur beneden in de gang bij het zwembad ons konden melden. Dat deden wij. En wat troffen wij daar aan? De kinderen hadden al allerlei mensen met papieren in mapjes door het hotel zien trekken en er was op onze verdieping ook wel een Radon-art en een psycholoog, er was ook lymfe dreinage, elektrotherapie en andere gekkigheid, maar beneden in de gang lopend zagen wij allemaal deuren van kamertjes open waarachter mensen bijvoorbeeld boven bakken zaten te ‘inhaleren’.  Wij wilden informatie hebben over de massages en de pedicure. De laatste was er niet en de massages werden door Paula gedaan. Op mijn vraag wie Paula was, was het antwoord dat zij op de vierde werkte met Heilgymnastiek. Hoe Paula er dan uit zag, hoe oud ze was. In gebrekkig Duits kwamen wij stapje voor stapje dichter bij de ontknoping maar haakten uiteindelijk af. Het was allemaal te druk. Het zag er ook engig uit. Wie gaf de garantie dat het er niet spookte. Wie zegt dat het echte artsen waren, in dit sanatorium. Waar ooit op enkele tientallen kilometers verderop ook allerlei geëxperimenteer plaatsgevonden had, in een ander tijdsgewricht. We gingen wandelen.

De kinderen vonden het allemaal vreselijk om aan te zien. Ik kreeg een beetje Fellini-gevoel. Kon mijn ogen niet afhouden van hetgeen aan mij voorbij trok. Prachtig, ik genoot. Tot dag vier, toen we vertrokken naar een volgend Pools resort. Daar werd de schrik nog groter omdat het Valkenburg in Polen bleek te zijn. De hotelkamer een martelkamer, zo slecht waren de bedden, in de ontbijtzaal klonk om negen uur ’s ochtends keiharde house. De aanblik van de schranspartijen trokken wij ook niet meer. We regelden dat we eerder konden vertrekken en met gierende banden keerden we na twee nachten gebroken westwaarts. Richting Dresden.

Nee, de kinderen had dit allemaal niet bekoord, met name Polen niet. De Tsjechen kwamen er beter vanaf. De tijd had stil gestaan, tot mijn genoegen. Maar niet tot dat van de kinderen. De paardenboerderij was en bleef het hoogtepunt. Daar komen we dan nog  weer voor terug.

 

 

 

Vakantiepret 1

Tsjechie 2017

Met excuses voor de eeuwig krukkige layout 

Vakantiepret 1

Na maanden van zoeken op het internet, en overleg waar de vakantie ons zou brengen, besloten we naar Tsjechië te gaan. Vader wilde liever thuisblijven (het idee het Rijk voor zich alleen te hebben, ongestoord door vrouw en kinderen, gaf hem al een vakantiegevoel). Oudste zoon, Onzo, was net met vriendin twee weken door Polen op pad geweest.

Het gezelschap zou bestaan uit Odé, oudste dochter, Jodé, jongste dochter en Enzo, jongste zoon. En natuurlijk Rudi, de hond van Odé, die overal mee naar toe gaat. Maakt niet uit waarheen en met welk vervoersmiddel.  En ikzelf uiteraard: reisleidster en organisator.                                                                                                                                           ’s Ochtends was het wachten op Enzo die nog een tentamen moest doen. Daarna vertrokken we richting Franz, onze eerste vaste stop. Na de overnachting koersten wij Tsjechiëwaarts. Richting vriendin Jirina die ik éénenveertig jaar geleden ontmoette in een postkantoor in Praag. Ik reisde toen voor de derde maal alleen met een Interrailkaart, werd meteen in haar familie opgenomen en sliep al dezelfde avond met oma en zus op de slaapkamer.                                                                                              Vriendin Jirina is een verhaal apart maar soms zijn verhalen te intiem om op te schrijven. Zoveel kan er in een mensenleven plaatsvinden.                                                                                                              De laatste keer dat wij er waren, was in 1991, toen nog met de oudste twee kinderen. Het was een mooie zomer en alles was nog koek en ei in ieders leven.                                                                                                                                         In de stromende regen, nu, kwamen wij bij het huisje aan, dat door allerlei omstandigheden en door de tand des tijds enorm was aangevreten. Maar het uitzicht op het meer bleef beeldschoon. ‘Spartaans’, had Jirina gezegd. En dat was het. Onderweg hadden we nog een sms ontvangen met de mededeling dat als we nog naar het toilet moesten we dat op het dorpsplein konden doen, de wc’s zouden wel om 19uur sluiten. We waren te laat en dus moesten we het doen met een volle septic en niet doortrekken. ‘Grote boodschappen’ moesten dus in het dorp gebeuren. Wij stelden onze geesten in op lange termijn en hoopten dat ons lichaam zich daar bij zou aansluiten. ’s Avonds stapten wij óp een brits, er in zou teveel duiden op een zachte landing. De nachten voldeden aan de omschrijving; spartaans.                                                                                                             Er was één waterpunt in huis waar eigenlijk een brandslang aangekoppeld diende te worden en met goede afstemming konden we er wat water uit tappen voor bewassing en tandenpoetsen. Elektra liep met draden en stekkerblokken door het huis. Het maakte allemaal niet uit en het was erg fijn elkaar weer te zien. De vriendschap was hecht en hield al jaren stand door middel van sporadische brieven, sms of een enkel telefoongesprek. In de tussenliggende jaren hadden wij elkaar drie of vier keer bezocht, denk ik. Nu spraken we veel en voelden elkaars bijzijn. We waren oud geworden en getekend door het leven.                                                                                         Zaterdagochtend vertrokken wij, onder dwang van de loop der natuur. Na een kort bezoek aan een koffietentje, reden wij richting paardenboerderij waar wij na ruim een uur slingeren door het enigszins kale landschap aankwamen. Het was niet ver verwijderd van Jirina’s huisje. Zo’n vijftig kilometer. Het was hét doel van onze vakantie en alles hadden we er om heen gepland, er was maar één week tot onze beschikking, de rest zat vol.                                                                                                                                         Als een parel stak het af tegen de huizen in de omgeving. De ontvangst was hartelijk. De kinderen kregen een rondleiding en ik haakte om fysieke redenen af ter hoogte van ons appartement dat wij die komende week zouden gaan betrekken.                                Opgetogen kwamen zij terug met een handgebaar dat weergaf dat ik een enorme goede keuze had gemaakt, uit alle bezochte websites. En de baas was ook een schot in de roos. De vrolijkheid zelve en openhartig.                                                                                              Wij nestelden ons in het appartement en Rudi kon volop aan lichaamsbeweging doen in de, ik vermoed zo’n vijftien meter, lange gang.

De eerste ochtend met rijlessen brak aan. Aan vrienden had ik gezegd dat de kinderen op ‘ponykamp’ gingen. Dat gaf een beetje de stemming weer; moeder met de kinderen op pad. En dat was ook precies de verwarring bij de medegasten: ‘Wat zijn jullie van elkaar?’ Het was de weerkerende vraag die wij zo’n vijf keer moesten beantwoorden. Het maakte ons ook nieuwsgierig wat er dan zo bijzonder was aan ons. Men kon de combinatie niet plaatsen: Zijn het familieleden? Is het een oma met kleinkinderen…. Vrienden? Een tante? Het schiep verwarring. Ook bij ons, wij wisten niet beter dan dat het vanzelfsprekend was: moeder en kinderen. Ja, oké, volwassen kinderen, maar waarom niet. Het feit dat Man/Vader ontbrak bleek het probleem. De mens is een kuddedier, de familie de hoeksteen van de samenleving. Tegenwoordig is alles wel te plaatsen, twee moeders met kinderen, twee vaders met kinderen, al dan niet gedragen door wildvreemden, maar een moeder met eigen leg is wel heel verwarrend… blijkbaar.                                                                                                                                                Grappig.

De paardrijlessen waren een succes. Zo zag ik de eerste ochtend. Met Rudi aan de lijn, want Rudi heeft een paardenfobie en blaft als hij al op grote afstand onderweg ergens paarden vermoedt, nam ik plaats op een bankje. Uitgeput van het kleine hellende weggetje erheen. Ik aanschouwde langs de zijlijn een enorm blije dame in de paardenbak, met onder een grote hoed een brede glimlach, die vol overgave les gaf aan wie maar wilde. Op afspraak, dat wel. Relaxed liep zij tussen de beginnelingen en gevorderden door. Van de vroege ochtend tot de late avond, zou later blijken. In de omliggende weiden renden de paarden vrij rond. Na elke les werden er andere paarden gehaald en opgetuigd. De lespaarden werden door de berijders afgetuigd en naar de weiden gebracht. Het was één en al vrijheid.

Sadek 2

Een week lang lesten de kinderen, elke dag, en langzaam aan kregen ze een beetje onder de knie wat paardrijden inhield. Zelfs een buitenrit werd gemaakt. De tijd er omheen vulden we met wandelen (zij), winkelen in de jaren ’50, rondrijden  (ik). En heel langzaam kwam de rust in de hoofden waar lang naar gesmacht was. We kookten wat in de mooie keuken voor de gasten, aten een gezamenlijk maal met de andere 30 gasten, ook al bereid door de Paardenkoningin, met hulp van haar moeder (die de taarten voor haar rekening nam) en de stagiaire. Het was allemaal heerlijk. Net als de, door de Paardenkoning, met zorg gemaakte ontbijtjes elke ochtend. ’s Avonds badmintonden de kinderen tussen de Hortensia’s op de binnenplaats. Eén en al vreugde en ontspanning. En dat was welkom, na dit intensieve jaar.

De zaterdag er op kon er nog een buitenrit tussen gepland worden en rond het middaguur vertrokken we, met direct al weemoed, naar onze nieuwe bestemming.                                                                                                                             Richting Polen, naar het Sanatorium. Zie volgende column.

 

En voor wie interesse heeft: https://www.deoudewatermolen.nl/

 

 

 

Dikke vette loser

 

BillenDikke vette loser

  • Deze column verscheen eind juni maar is om bijzondere reden even op reis geweest. Nu terug.

Ik moet het even kwijt. Ik móet het even delen. De vraag rondom mij was: wanneer komt er weer een stukje? En ik antwoordde: Nu even niet; stilstand. Maar daar is verandering in gekomen en ik maak er maar meteen gebruik van.

Heus, ik ben me wel bewust van de toon van de stukjes soms. Een klaagzang. Maar is er soms dan ook reden tot juichen? Misschien. Maar vandaag even niet. Ja, het is mooi weer, het ruikt lekker, daar waar weinig verkeer in de stad is. En als je de drukte weg kunt denken en de ‘Amsterdamse pit’ (lees asociaal gedrag, egocentrisme, kapsones, boersigheid) dan is de stad ook te pruimen, hier en daar zelfs mooi.                                                                                                                                                            En zo reed ik naar het ***ziekenhuis. Ik had een afspraak gemaakt met de afdeling Bariatrie, je weet wel, daar waar ze je maag kunnen omleiden.                                                                                                    Na wat gepuzzel om op de juiste verdieping te komen bevond ik mij te midden van soortgenoten, of lotgenoten zo je wil. De Dikke Mens. De Fatfighters, zij die het niet redden en gebukt gaan onder het spek dat zij met zich meedragen. Krom lopen onder hun gewicht. En natuurlijk denk je, rondkijkend, dat ze allemaal dom zijn, geen inhoud hebben dan alleen vet. Wil je er niet bij horen en niet met ze geafficheerd worden. Ook destijds niet, na die toch enigszins mislukte poging in die dikke mensen- groep. Toen ik voor het eerst erachter aan liep en dacht, bij iedere stap die gezet werd: boem, boem, boem. Je zag in gedachten de grond trillen. Je zag de mensen in de kantoorkamers aan weerszijden van de gang, zich geschrokken terugtrekkend als na de pauze (met eet-therapie; mindfull eten) de kudde zich in beweging zette, van de ene brede stoel naar de andere brede stoel. Van de eetzaal naar de therapieruimte. En soms trof men elkaar op het toilet, de dikkerd en de niet dikkerd en voelde je de minachting. Maar natuurlijk, die voel ik ook naar die dikkerd, maar tegelijk heb ik geen recht van spreken want ik bén die dikzak. Die dikke vette loser. Die het maar niet gelukt is er zelf iets aan te doen. Ondanks alle trucs en tips en pogingen. Hopeloos mislukt daarin. Tors, tors, sjok, sjok, zo kraken de stukken kraakbeen tussen de gewrichten. Als er überhaupt nog kraakbeen zit.                                          Vandaag heb ik me vermand en een eerste gesprek met een chirurg van de afdeling Bariatrie. Ze is aan het promoveren en heeft erge haast maar werkt zorgvuldig. En daarom moet ik ook niet zeuren. Het voelt niet goed,  die haast, ook al kan zij er niets aan doen. Maar het is ook niet netjes, al doet ze haar best. Het is het gevoel dat ík een hele belangrijke stap zet en dat de werkdruk dáár te groot is. Dat voelt niet zo goed. Ondertussen heb ik nog tijd genoeg dus moet niet zeuren.                                                     Als ik gewogen en mijn lengte en buikomvang is gemeten, mijn buik bevoeld, en ik gewezen ben op de risico’s, kan ik met een heel informatiepakket vertrekken. Eerst langs de balie waar ik ook snel alle overige uitleg krijg. Ze lijken echt een beetje teveel onder druk staan.  Maar alles is wel goed voorbereid. Ik krijg een lijst mee met data voor terugkerende afspraken bij verschillende disciplines.                                       Op de weg naar de uitgang bezoek ik nog even een toilet dat de geur van een DIXI heeft. Ook dat belooft niet veel goeds. Ze zullen toch wel hygiënisch werken hier? Waar is de uitgang? Ik loop rondjes in de kernhal, gangetje in, gangetje uit, weer in de kernhal. Maar uiteindelijk kom ik bij de juiste uitgang en begeef me naar mijn fiets. Ik open de sloten en trap weer fruitig door de warme middag huiswaarts. Onderweg voel ik een enorme grauwsluier over mij heen vallen. De depressie overvalt me. Mijn humeur zakt met elke trapbeurt. Ik kan het eerst niet plaatsen en daarom overvalt het me ook. Jezus, wat is dit confronterend, ja, dat zal de reden moeten zijn. Maar verder denkend  word ik heel verdrietig van de weg die geleid heeft naar deze toestand.  Deze zwaartekracht die zich meester gemaakt heeft van mij. Letterlijk en figuurlijk. Dikke vette loser.                                                                                                       Nu maar hopen dat dit stukje oplucht. Verlicht.

R.I.P.

R.I.P.

Om drie uur precies parkeerden wij de auto bij de voormalige boerderij en liepen het weiland in waar aan het einde in een hoek een plekje was ingeruimd voor Tibbe. De man met de zwarte jas en zwarte hoed en een sigarenstomp in zijn hand ging ons voor. Op de plek aangekomen haalde hij een dekzeil met twee stokjes weg en keken wij in een piepklein grafje dat keurig was leeggemaakt en bekleed met dik vlasdoek waarvan de uiteinden over de randen heen gedrapeerd waren. In de diepte lag Tibbe, zoals wij hem achterlieten en zoals wij hem kenden. Het was een aandoenlijk gezicht. De andere dochter werd overmand door zoveel eenzaamheid. Ten slotte is zo’n beestje langdurig familielid.

De man in het zwart dekte Tibbe toe met de flappen vlasdoek en sloot het geheel en het was goed. Zo hebben wij afscheid genomen en het vóelde goed. Uiteindelijk toch beter dan de vorige katten die ik bij de destructie achtergelaten had. Het voelde goed en niet sentimenteel in een wereld die steeds geschifter wordt en waar respectloosheid voor het leven in zijn algemeenheid in veler vaandels staat. En nu ligt Tibbe aangeschoven bij een nummer en een letter en niemand weet wie wie is. Terug gegeven aan de natuur in een glad gestreken weiland. Alleen wij weten waar.

(Het in memoriam van Tibbe staat rechtsboven en kun je na aanklikkelezen. Tenzij ik het hieronder op de juiste plek heb kunnen herplaatsen.)

Valentijsdag

Valentijnsdag – Manna Mulder

Het zal denk ik ergens rond groep drie geweest zijn, begin jaren negentig, dat mijn oudste zoon thuis kwam met een glas geblazen paardje. Het moest nog even tot me doordringen vanwaar dit presentje voor mijn zoon, maar na zijn uitleg werd het mij duidelijk; hij had het gekregen voor Valentijnsdag. Van het mooiste meisje van de klas, het poppetje van de school. Het was 14 februari.

Het was een paardje van een centimeter of acht met een bruin ruggetje en beentjes in galop, heel sierlijk en met wuivende manen. De beentjes waren van doorzichtig kleurloos glas. Jarenlang, misschien wel twintig, is het in ons bezit gebleven, tot het op een dag in stukken lag in een doosje en wij het uiteindelijk, na lang bewaard te hebben in deze toestand, met de vuilnisman hebben meegegeven.

Ik vond het aandoenlijk. Dat mijn zoon zo’n mooi paardje gekregen had van een meisje dat blijkbaar, zelfs al op zulke jonge leeftijd, warme gevoelens voor hem koesterde. Het zou een vooruitwijzing worden want tot heden heeft hij die aantrekkingskracht behouden. Zij het niet altijd even succesvol.

Valentijnsdag.

In deze betekenis heeft het voor mij nooit íets betekend. Ik heb stiekem wel eens gedacht die ‘w(R)oest aantrekkelijke’ garagehouder aan de Zeeburgerdijk stiekem een kaart te sturen maar mijn nuchterheid weerhield mij. Bovendien zag hij mij niet staan, als vrouw. Ik was totáál zijn type niet. En bovendien vind ik al dat gedoe met Valentijnsdag maar volkomen flauwekul.

Om eerlijk te zijn vind ik het verschrikkelijk. Ik vind het een opgeblazen, commerciële feestviering. Verzonnen en in het leven geroepen om slagjes uit te slaan en valse hoop te geven aan mensen die verlegen zijn of om andere reden iemand op de hoogte willen stellen van hun aanbidding. Het is een dag, in het leven geroepen voor commercieel gewin. Ineens word je doodgegooid met kaarten, rode aluminium opblaasharten op een steeltje, rozen, weekendjes in hotels. Alles wordt samengebald in die ene dag. Terwijl wij eigenlijk álle dagen onze gevoelens op die manier zouden moeten kunnen en vooral wíllen uiten. Niet dat je elke dag feest hoeft te vieren, dat veroorzaakt ook slijtage. Maar om nou je romantiek op te hangen aan een dag met een vage historie, want ik ben even op onderzoek uit gegaan: er is geen enkele duidelijke aanwijzing voor de invulling van deze dag. Gewoon verzonnen op basis van wat vage overleveringen. Goed voor de economie.

Valentijnsdag, 14 februari, die datum, heeft op zich altijd wel betekenis gehad voor mij, maar in andere zin. Het is de dag dat mijn oom geboren werd, negenennegentig jaar geleden. Hij mocht maar zesentwintig worden, vermoord door de Jap. Aan hem dacht ik altijd op die 14e februari. Of, mijn muis die ik zo genoemd had.

Misschien toch met het gevoel toen dat er een belangrijke boodschap in die naam huisde. Valentijn, de muis dus, woonde op onze schoorsteenmantel in een hoge accubak, van doorzichtig glas. De bak had geen gunstige afmeting voor hem: 30x15x40 (lxbxh) of zoiets. Wat betekende dat ik hem altijd enorm zijn best zag doen omhoog te klimmen maar dat niet kon vanwege het gladde glas. Ik kon hem wel bestuderen, als puber, hangend in een stoel. Hij scharrelde wat rond tussen zijn krantensnippers.

Hij werd een zij

Nog een andere Valentijn waar ik tegenwoordig aan denk is Valentijn de Hingh. Híj werd een zij, Misschien wel de ultieme invulling van Valentijnsdag, de samensmelting van hij en zij.  Kijk, in die zin is 14 februari wel een mooie dag om even bij stil te staan, bij Valentijn. Maar verder heb ik er zelf helemaal niks mee.

Over de auteur:

Manna heet ik, geboren midden jaren vijftig in deze hoofdstad uit een journalist als vader en een verpleegster als moeder. Inmiddels wees. Zelf moeder van een behoorlijk gezin, echtgenote. Ex-leerkracht. Reeds anderhalf jaar blije student aan deze opleiding bij de Schrijversacademie, met gelukkig nog een aantal modules in het verschiet! Schrijven geeft mij rust.

Deze bijdrage stond op 14 februari op de FB site van de Schrijversacademie

Teer

gele stoel

Teer

Het was een mooie zondagochtend toen ik westwaarts de stad in fietste om uiteindelijk met een doorsteek in hartje centrum aan te komen op het adres van mijn gastheer. Wij hadden met een aantal gelijkgestemden een bijeenkomst. Op het balkon stond de heer des huizes op de uitkijk.  Binnengekomen probeerde ik zo onopvallend mogelijk de traptreden naar boven te bestijgen. Onopvallend in de zin van dat ik probeerde mijn inmiddels steeds meer zichtbaar geworden gebrek te verhullen. Het lukte mondjesmaat. Bovengekomen stond midden in de kamer een tafel met een vrolijk geblokt kleedje en een diversiteit aan stoelen en stoeltjes er omheen gerangschikt. Ik overlegde met een van de aanwezigen welke stoel mij het beste dragen kon en koos voor een teer uitziend teak houten stoeltje van een klassiek model. De zitting met brede gele rib bekleed. Hij oogde naast teer toch ook stevig en comfortabel  van zit, wat goed van pas kwam vanwege de storende zenuwstroomstoten die mijn ene been de hele dag, en nacht, begeleidden. Ik nam plaats en stelde vast dat het een goede keuze was geweest.

De gastheer opende de middag met een persoonlijk verhaal dat schrijnend was. De impact was groot, zoveel was duidelijk. En vooral ook heel begrijpelijk. Invoelbaar zelfs. Wat heet: herkenbaar. Ook ik had me inmiddels zoveel als mogelijk terug getrokken uit het -sociale – leven. Na een aantal ervaringen die mijn leven getekend hadden. Geen enkele behoefte meer aan vertrut gebabbel en nieuwe contacten. En zeker geen zin meer in façades. Alleen behoefte aan lotgenotencontact in de breedste zin, dus op gedeelde vlakken. Mensenmenigten schuwend. Wég met het onechte, we gaan voor het ‘eggie’.

Op zeker moment probeerde ik mijn rug te rechten, iets wat soms gebeuren moet, zowel letterlijk als figuurlijk. Ook om de zenuwen weer even de kans te geven zich te ontworstelen aan hun klem, en te ontspannen, zo dat al mogelijk is. Op datzelfde moment hoorde ik keihard ‘krak’, en niet alleen ík hoorde dat. Het was een scheurend, barstend, knáppend geluid dat de gezichten deed verstrakken. Niet in het laatste geval het mijne. Terwijl de eerste reflex een gevoel van absurditeit opriep, overviel mij direct ook schaamte. Als ik al gedacht had mijn corpulentie (voorbij) te verhullen, dan was dit het moment geweest dat die gedachte direct opgeheven werd. Dat mijn omvang niet met lucht gevuld was, werd met veel gekraak duidelijk. Ik dacht aan het omgekeerde van het woord teer, zoals het stoeltje was, dat op zich een kier betekende maar in de volksmond meer duidde op een dik achterwerk, of: een poefkont, zoals mijn dochters dat noemde.

Mocht ik ooit gedacht hebben met mijn ogen mensen te kunnen gijzelen en af te leiden, nu waren aller ogen gericht op Kwatta, in haar volle omvang. De volgende gedachte die razendsnel in mij op kwam was er een die ik tegelijkertijd uitsprak: ‘Is deze stoel ook uit het huis van je moeder afkomstig?’  Het feit dat die vraag met ‘Ja’ werd beantwoord gaf mij een groot gevoel van schuld. Niet alleen had ik een stoel doen kraken, hoewel ik er niet doorheen zakte, het was ook nog eens de stoel uit zijn ouderlijk huis. Ik werd terstond zo verdrietig dat álle verdriet van welke aard ook zich in mij samenbalde en er geen ontkomen meer aan was: tranen drongen zich op. Het was niet eens meer helemaal herleidbaar want het gevoel werd te groot, maar op de voorgrond stond mijn vernielzucht van zíjn stoel. Dit was het resultaat van jarenlange verwaarlozing, ophoping, eigen schuld met als resultaat dus ‘dikke bult’. Krak. Het echode nog na. Ondanks dat de gastheer mij bezwoer dat het geen enkel probleem was. Niet dat hij mij aanbood ook zijn andere stoelen uit te proberen. Maar toch. ‘Het geeft niet, het is materie,’ waren zijn troostende woorden, terwijl mij een zakdoek geboden werd. Ik sloeg hem af, vermande mij en wilde niet in een tranendal verdrinken.   Gelukkig bracht de middag nog meer vrolijkheid, en na vele uren, waarbij ik de gastheer ook ten afscheid kuste -hoewel ik hem maar zeer kort kende en dat eigenlijk misschien wel zeer ongepast was na deze vandalistische daad-  vertrok ik in de aanzwellende regen naar huis. Met mooie herinneringen en gemengde gevoelens.