Hun

Column Hun
(op 6 februari 2016 over de Pegida demonstratieHun)

Ik schrijf en luister. Ik ril en huiver. Eigenlijk doe ik live verslag van een demonstratie van Pegida. En een tegendemonstratie. Daarnet hoorde ik de heli boven ons huis cirkelen, de rotorbladen. Ik denk aan gisteren, toen we onderweg een Apache helicopter zagen en mijn dochter en ik spontaan het lied van Billy Joel, Goodnight Saigon gingen zingen.
Nu hoor ik een man, helemaal uit Limburg gekomen. De interviewster vraagt of hij zich zo bij Amsterdam betrokken voelt. Verontwaardigd zegt hij dat het het hele Nederlandse volk aangaat want (en ik citeer): “Hoe lang duurt het nog voordat onze dochters worden aangerand en verkracht. Of dat er hier van die toestanden zijn zoals in Keulen.” De interviewster zegt dat ze even ‘naar de andere kant gaat.’ Daar is haar collega, die doet verslag van een ander geluid. Het geluid van een tegenprotest wordt georganiseerd door SP, GroenLinks en de PvdA. Zij heten vluchtelingen welkom maar racisme niet. Ondertussen is de EOD een ’verdacht pakketje’ aan het onderzoeken. En zo biedt onze stad gelegenheid en dat kan eenieder in zijn zak steken. Ook de angstigen van de Pegida. Iedereen mag zijn of haar stem te laten horen. Dát is democratie. De leider van Pegida Nederland, zelf iemand met een buitenlands accent getuige de manier waarop hij bepaalde woorden uitspreekt, zegt dat al onze vrouwen, dochters en ook kinderen verkracht worden door de ‘rapefugees’. Hoe verzin je het, deze lollige woordspeling. Hij spreekt over de tegendemonstranten als ‘linkse fascisten’, ook al zo scherp. Voor wie komt hij op? Voor de polonaisedansende menigte, die nu over de Blauwbrug hopst. Een bont gezelschap van mensen met een nogal middeleeuwse uitstraling, vaak.
De burgemeester heeft de demonstratietijd ingekort. En om vier uit moeten ze dan met de bus mee, terug naar het carnaval, in het zuiden. Daar kunnen ze dan verder, zich mengend in het carnavalsgedruis. Daar waar nooit sprake is van handtastelijkheden, aanrandingen, verkrachtingen. Daar waar de Roomse kerk haar jaarlijkse feest viert.
De leider roept op om alle vlaggen weg te doen en T-shirts weer te bedekken want: “Hún willen dat wij weg gaan, hún willen dat wij dat wij geen geweld gebruiken, maar de linkse fascisten mogen gewoon door demonstreren.”
Dan komen de gemeentebussen om de demonstranten van Pegida af te voeren. Waarheen wordt niet vermeld. Braaf stappen ze in. De bussen puilen uit. Er wordt druk gezwaaid naar elkaar. Op de achtergrond hoor ik roepen: “Boeren, boeren, boeren, boeren.”
Ineens bedenk ik: ze zouden toch niet naar een AZC gebracht worden, of erger…. Dát zou een giller zijn. Hún wel, zou ik willen toevoegen. Hún wel ja. Dat is het gevoel wat achterblijft, dat hun altijd de dupe zijn. En een slinkende menigte op de Blauwbrug.
Zo, het verkeer kan weer gewoon doorrijden. HUN zijn weg. We zijn weer onder ons.

Moeder 1

Moeder 1
De dagen dat mijn moeder overleed, een jaar geleden, komen naderbij. Ze was steeds meer in een schimmige fase terecht gekomen. De week ervoor had ik haar aangetroffen in de koffiekamer in een dun T-shirt en blote voeten in verbandsloffen, een soort verpleeghuisschoenen met klittenband. De banden van haar grotemensen kinderwagen waren plat. Ik was ontdaan en heel boos. Dat ze al weken in een ‘platte kar’ zat en dat ze zo koud gekleed was, hartje winter. Nu was ik er dus met veel nieuwe sokken en warme kleding. Ze konden niet meer zeggen dat er niets was… Ze zat in de koffiekamer, helemaal alleen. De enige medewerkster bracht alle overige bewoners naar het ‘praatuurtje’, een verdieping lager, een heel karwei! Mijn moeder hing zijwaarts onderuit in haar rolstoel en had in haar mondhoek een sliert aardbeien yoghurt, tot over haar jasje druipend en een berg broodkruimels. Haar hoofd leunde op haar kromme vingers, de ogen dicht. Ze stonk enorm naar stront. Ik vond het te onmenselijk om aan te zien en vroeg me af hoe lag het nog moest duren, hoeveel ik ook van haar hield. Deze volkomen aftakeling. Ik wachtte op verpleging die haar zou komen wassen.
Een week later wilde mijn moeder niet meer eten en drinken. We deden ons uiterste best om er wat in te krijgen. Met mijn kinderen werkten we een halve tompouce naar binnen. Van huis namen we warme chocolademelk mee, Brinta. Het ging met een lepeltje. Dagelijks. Ze was vrolijk, en we zaten op haar kamer. Deden haar een koptelefoon op met Mike Buble.‘Mooooi,’ zei ze. Ik wilde dat ze bleef leven, ze was weer vrolijk. Ik wilde, ondanks dat we een brief ondertekend hadden waarin we afzagen van levensverlenging, dat we alles uit te kast moesten halen. Haar een kans moesten geven. Ik vroeg een gesprek met de huisarts aan. Hij zei dat ze alles zouden doen maar dat een infuus een ziekenhuisopname betekent. Dat ze dat niet meer aankon. Drie maanden er voor was ze uit bed gevallen, voor de honderdste keer weliswaar, maar nu rechtstreeks op haar hoofd. En naar de Eerste Hulp. Ik had zoiets nog nooit gezien, een eenhoorn, een bult van wel tien centimeter stak recht vooruit. Idioot om te zien. Een aantal dagen later veranderde haar gezicht via een pandabeer in een vlinder, symmetrisch van donkerpaars bovenaan via groen tot lichtgeel onderaan.
We gaan naar het Sauerland, mijn kinderen en ik, het is zaterdagochtend, half februari. We wagen het er op. Zondagochtend word ik gebeld door de zorg, het gaat niet goed. We hebben veel contact met elkaar. Maandagochtend gaat om zeven uur de telefoon, slechte prognose, een kwestie van uren. Of er een arts mag komen, een vervanger, want het is nog te vroeg voor de eigen arts, ze krijgt pleisters. Ik sta het toe, na overleg met mijn oudste zus. Er wordt in die twee dagen ongeveer veertig keer heen en weer gebeld. En die maandagochtend pakken we overhaast weer in en vertrekken richting de grote stad. We halen herinneringen op in de auto. Ze is er nog wel maar hoe lang? Ik ga mijn moeder verliezen. Ik word wees.
’s Avonds om zes uur staan we gezamenlijk om haar bed met zijn allen, alleen een neef en mijn middelste zuster ontbreken, zij zijn buitenslands. Mijn moeder is ook ver weg. Het is een drukte van jewelste in het klein hokje, acht mensen en een druk hondje. De zorg komt steeds even kijken en mijn moeders mond deppen met wat water. We spreken mijn moeder steeds zachtjes toe, door de kamer of rechtstreeks in haar oor. Hoe lief ze was, dat ze ‘mag gaan’, naar papa, naar haar broer, node gemist na zijn nutteloos sterven in een Jappenkamp, naar haar ouders. Ga! Dat laatste is ze blijkbaar nog niet van plan. Zou ze ’s ochtends de avond niet halen en het een kwestie van uren zijn, nu blijkt ze een taaie.
Na een uur gaat iedereen weg. Behalve mijn jongste dochter en ik. We nemen plaats in het woongedeelte van haar kamer, mijn dochter krult zich op op een te kleine bank en ik ga in een slechte seniorenrelax-stoel zitten. Val af en toe in slaap en ontwaak dan met enorme stijfheidskrampen. ’s Nachts komt er regelmatig iemand langs, we krijgen een kan koffie en thee. En met regelmaat denken we dat ze haar laatste adem uitblaast. Een mega-apneu die de benaming Cheyne-Stokes heeft meegekregen, naar de personen die hem beschreven hebben. Het is griezelig om aan te horen. Maar ze geeft niet op. ’s Avonds neem ik afscheid om haar de kans te geven het leven los te laten. En dan, op de dag van de Februaristaking, sterft ze, vroeg in de ochtend staakt haar adem….

Gedicht

Gedicht

(met drie opgegeven woorden: manchester, loyaal, trots) november 2015

 

De mannen in manchester pakken

Gedragen tijdens werktijd

Bij groente kolen, antraciet

Vervlogen tijden, werkelijkheid

Loyaal in ’t dragen van tegenslagen

Schouder aan schouder zo men ziet

Rechte rug, hoofd trots geheven

Uit een overzichtelijk leven