Sushi

Sushi_Tempura-Sushi

In het etablissement zitten wij tegenover elkaar, mijn jongste dochter en ik. We zijn een paar nachtjes naar de Achterhoek. Het paradijs op aarde, in Nederland. We zitten ongeveer midden in de zaak, een ‘Chinees’ met tijdloze standaard inboedel; donkere glanzende tafels met bijbehorende glanzende stoelen. De rug en zitting is van een soort velours met enge bloeduitstorting kleuren, zoals ze destijds ook dergelijke meubels verkochten in de Kwantumhallen. Deprimerend. Maar we komen voor het eten. Zo ook de gasten aan twee andere tafeltjes. Zij hebben voor het raam plaatsgenomen. Ik weet waarom want ik kom niet voor de eerste keer. Daar is een kachel. Wij hebben wat afstand genomen en hebben er een paar tafels tussen leeg gelaten. Er is nog zeker plaats voor dertig gasten. Die zullen er nooit zijn. Wel regelmatig afhalers, dat kan ook.

De bediende loopt het vuur uit haar sloffen; het is onbeperkt sushi eten voor € 20 pp.

Aan de ene kant zit een gezin, vader, moeder en twee zoons. De een van een jaar of dertien waar ik het meeste zicht op heb, de ander, ik schat een jaar of zestien, valt een beetje weg achter zijn moeder die ik op de rug zie. Ze drinken veel cola. Ook die wordt steeds aangevoerd maar is niet bij de prijs inbegrepen. De gasten aan de andere tafel worden een beetje door mijn dochter aan het zicht ontnomen, maar ook hier zie ik de bediende, een Chinese vrouw van een jaar of veertig, vele malen met dampende dienbladen heentrekken. Schalen, schaaltjes, drankjes, plankjes met veel hapjes. Een schier oneindige hoeveelheid wordt er afgeleverd. Maar de tafel aan de andere zijde, met het gezin, eet zeker tweemaal zoveel. Enorme plateaus worden er op tafel neergezet, met korte tussenpozen. Met stijgende verbazing hoor ik ze luid spreken over wat ze nu gaan bestellen, nog kauwend op hun sushi, maki, handrolls, beef rolls, beef grill, varkenshaas, yaki tori, noodles met en zonder beef. Het aanzien ontneemt me bijna mijn eetlust.

Op zeker moment gaat eerst de vader van tafel en schuifelt naar het toilet. Het is een levensgenieter aan zijn omvang te zien. Na terugkeer gaat ook de dertienjarige zoon. Ondertussen nog doorgevend wat hierna nog opgediend moet worden, en o, ja, nog een cola. Na terugkomst hoor ik de moeder zeggen: ‘Ja, lekker groenten…’. Het klinkt alsof er ook nog ruimte is voor gezonde groentendingetjes, die ze blijkbaar ook op de menukaart hebben. En die hebben ze. Ze kiezen voor Yasai vegetarische tempura. Ofwel groenten in een gefrituurde jas. Zeg maar gerust: winterjas. Binnen no-time wordt het opgediend. De moeder verdeelt met de blote hand de grote stukken en werpt ze op het bord van de aanwezigen.  Met de stokjes werkt het niet zo.

Het gezin nadert het einde van hun maaltijd. Nu het toetje. De dertienjarige jongen wil het liefst kip-ijs, zegt hij: ‘Hadden ze maar kip-ijs’. Maar helaas. Na het toetje vertrekt het gezelschap. Mijn oog valt nog op de andere tafel waar een meisje wezenloos om zicht heen zit te staren met een glazige blik. Teveel gegeten?

Het gezin stapt voor de deur in de auto en vertrekt. Mijn dochter zegt dat ze vanuit de keuken steeds om een hoek gekeken hebben. Wellicht verbijsterd? Te beleefd om in te grijpen. En ik, ik vraag mij af of je met zulke gasten wel winst kan maken of überhaupt uit de kosten komt. Wijzelf hebben heerlijk gegeten. Gewoon af en toe een klein gangetje met wat kleine dingetjes. Met een kopje yasmijn thee.

 

 

Advertenties

Check, check, dubbelcheck

Check, check, dubbelcheck

 

Eindelijk leek het een beetje op gang te komen. Er stonden nu een paar berichten en de eerste watervrees was een beetje afgenomen. Het was net zoiets als zingen geweest, destijds. Het zanggroepje waar ik in zat en waar je verplicht was mee op te treden. En soms moest ik een solo zingen, eerst met knikkende knieën en later begon dat vertrouwder te voelen, maar toch, het bleef een beetje eng. Omdat het zo persoonlijk was, zo dichtbij jezelf kwam en vooral, omdat je je zo bloot gaf. Alsof je helemaal even in je nakie stond. Wat misschien in mijn geval wel dubbel eng zou zijn…

Het voelde beetje bij beetje, langzaamaan vertrouwd worden. Ik probeerde steeds meer een kort verhaaltje te schrijven. Soms over een makkelijk onderwerp en soms zette ik me tot een onderwerp waarin ik mijn tanden moest zetten, iets búiten de (modern genoemde) comfort zone, je nek uitsteken. Een bespiegelend stukje schrijven bijvoorbeeld, ben ik daartoe in staat, wat komt daar allemaal bij kijken. Plus één, noemt men dat ook. Even op je tenen gaan staan. En daarna plaatsen op je eigen weblog, je eigen schrijfkindje. Zichtbaar in beeld.

Mijn eerste stukje ging over slapen in het ziekenhuis. Het testen van het ademregistratie apparaat. Het was een rare gewaarwording, al die soortgenoten met die plakkers op hun hoofd, al die snoeren die als staarten, of misschien wel als ‘buitenzenuwen’ aan de buitenkant van hun lichaam hingen. Al die mensen die voor één keer de nacht samen moesten doorbrengen. Je deelt wat maar in dit geval is dít wel het enige. Het was een gemêleerd gezelschap.

Daar schreef ik over. En daarna nog een paar andere stukjes.

Maar wat ik ook probeerde in mijn, dankzij een medecursist, inmiddels hervonden ‘dashboard’, ik kon niets aanpassen. Met mijn dochter had ik alles ingesteld maar wat ik nu écht wilde, was de ‘reacties’ kunnen opvangen. Ik reageerde een paar keer bij een stukje op mezelf, schreef een verontschuldiging voor de lezers, dat het leek dat je een bepaald stukje met een ‘paardensprong’ moest lezen. Maar wat ik ook reageerde, er kwam niets in beeld. Had misschien te maken met reageren vanaf mijn eigen account. Dus: mijn man gevraagd of hij het wilde doen.

Zo gezegd zo gedaan. Waar hij dan op moest reageren, wat hij dan moest schrijven? ‘Schrijf maar bij het eerste stuk, bijvoorbeeld ‘knor, knor’,’ adviseerde ik hem. Hij logde in en volgde mijn instructies op, dacht ik. Toen hij klaar was, kwam hij blij vertellen dat hij het volgende geschreven had: ‘Knor, knor, het varken slaapt’. Hoewel ik heel wat gewend was, voelde ik het bloed uit mijn gezicht wegtrekken. ‘Nou ja, dat kan toch niet. Staat dat nu op de site. Dat is toch gek.’ Mijn man begreep er niets van. Hoezo gek, het was toch een grapje. Sprak hij in volle overtuiging. Was hij ook eens leuk en kon ik het niet waarderen.

’s Ochtends vertel ik het aan mijn oudste dochter. En laat het bericht zien dat wordpress mij gestuurd heeft. Goddank, het was niet te zien geweest, het werd mij eerst aangeboden, ter goedkeuring. Mijn dochter leest het en roept: ‘mijn god, je zal maar zulke ouders hebben!!! Jezus. Wacht even, ik maak even een foto en stuur het in de kinderapp.’ En dan ineens moet ik zelf zo verschrikkelijk lachen er om. Uiteindelijk.

 

Kopij

Kopij
Mijn vader en ik. Soms liepen we de stad door, op zondag. Hand in hand, hij éénmeterachtennegentig (wat voor die tijd enorm was – ook qua kleding een groot probleem), ik klein. Er heerste nog volkomen rust in de straten. Verkeer was er ook nauwelijks. We liepen over de Hobbemakade, steevast door mijn vader Hobbelmankade genoemd. Daarna richting de Weteringschans. Naar het Westeinde, vlakbij het Frederiksplein. Daar was het kantoor van De Groene Amsterdammer gevestigd. Mijn vader ging kopij afleveren. Het was in een tijd dat journalisten nog per regeltje betaald werden en met een gezin met drie kinderen, telde elk regeltje mee. Mijn zo bescheiden vader van twee meter, en ik aan zijn hand. Nadat de kopij door mij in de brievenbus geworpen was staken wij over en betraden de restanten van het Paleis voor Volksvlijt. In mijn herinnering een open ruimte in het midden door een houten vloer omringd. Ik meen dat er langs de wand winkeltjes waren maar die waren altijd dicht. Alles was uitgestorven. Volledige zondagsrust.
Tezelfdertijd gingen wij ook wel eens naar een gebouw aan de Nieuwe Zijds Voorburgwal. Op zaterdagavond. In dit pand huisden verschillende kranten, De Telegraaf, De Volkskrant, Trouw en Het Parool. Voor een van deze kranten werkte mijn vader en soms moest hij ’s avonds werken en mochten wij als gezin mee. We mochten kiezen: heen lopen en terug met de tram, of andersom. Twee ritjes was te duur. Maar de rijkdom was wel dat we TV konden kijken, daar. We zagen de Mounties bijvoorbeeld. Of Rudy Carell. Thuis hadden wij nog geen televisie. Die kwam pas in 1964, toen ik tien werd en de Olympische Spelen waren, in Japan. Dan konden we onze vader zien die een maand van huis was.
De biografie Anna was een feest der herkenning. De beschrijving van de ruimten daar, aan de Nieuwe Zijds Voorburgwal.
Later, eind jaren ’60, verhuisde de krant naar de Wibautstraat. Jarenlang stond op de suikerzakjes van het gebouw een toren afgebeeld die er pas veel later kwam. Een enkele keer gingen wij er op zondag heen. Spannend op die stille redactie, daar waar de telexen ratelden. Kopij brengen. Of hij moest een stukje schrijven. Weer later werd de kopij in een busje aan de buitenmuur van ons huis gedaan. Dan kwam ’s nachts een koerier langs. Vele jaren later kwam ik deze koerier tegen als mede-ouder op het schoolplein waar wij onze kinderen ophaalden. Hij bleek inmiddels een zeer bekwaam luchtfotograaf te zijn geworden die zij sporen verdiend had.
De kopij die gemaakt werd bestond in eerste instantie uit twee A-4tjes met een kop van de krant erboven. Daartussenin een carbonpapiertje. Dat mocht ik er soms tussen doen, dat magische carbon, waarmee je ook toveren kon, als je er op tekende. Daarna het gerikketik op de machine, eerst een Remmington, later een Triumph. Ik heb hem nog, bewaard. Weer later een kant en klaar pakketje met meer kleuren; wit, roze, geel, blauw. Een blaadje voor de krant en de rest voor thuis. Archief. Stapels naast het bureau van mijn vader.
Bij het ontruimen van het huis vond ik nog stapels ouderwetse A-4tjes. Ik nam ze mee naar mijn werk en liet de kinderen er mooie papier maché maskers van maken.

… Met de korte achternaam 2

… Met de korte achternaam 2

Jaren geleden zag ik eens een documentaire over, denk ik, de luchtvaartontwikkeling. Daar kwam een beeld in voor wat af en toe oppiept voor mijn geestesoog. Met een bedoeling, zo heb ik inmiddels bedacht. Het gaat zo: Op een groot veld staat een dubbeldek vliegtuig, het zal ergens begin vorige eeuw zijn. Er wordt gefilmd hoe het een vlucht gaat maken. Er staan mensen her en der op het veld. Aan het vliegtuig zijn twee touwen vastgemaakt. Op het moment dat het vliegtuig de motoren aanzet en gaat taxiën rennen twee mannen mee, zij houden de touwen vast. Zij dragen een soort uniformen. Het vliegtuig maakt vaart, de mannen rennen steeds harder. Op zeker moment verlaat het de grond. Een van de mannen laat het touw los, de ander houdt het vast. Er wordt nog geroepen dat hij los moet laten; hij gaat mee de hoogte in. Tijdens zijn stijgen blijft hij rennende bewegingen maken, zijn benen malen als molenwieken in het rond. Het is een mal gezicht. Maar dan, ineens, laat de man toch los, op grote hoogte, hij valt in duizelingwekkende vaart naar beneden, te pletter, op de grond. Wat overblijft is een klein ‘pakket’.

Iedereen kent wel iemand die een baas heeft die zijn macht misbruikt, zijn werknemer kwelt. Zijn eigen … Met de korte achternaam. Die hem het leven zuur maakt, zijn karakter probeert te breken. Zijn gezin ontwricht. Dat kan uit machtsgevoel zijn of uit onkunde. Vele leiders zitten op de verkeerde plek. Kiezen voor een positie die zij niet waar kunnen maken. Omdat ze de capaciteit niet hebben om mensen de leiding te geven die zij nodig hebben. Om ze te motiveren. Ze kiezen deze tak van sport omdat ze ijdel zijn, omdat ze denken iets te kunnen betekenen of omdat ze zelf niet ’onder iemand’ kunnen werken. Om maar een voorbeeld te noemen. Maar wat ontbreekt bij deze mensen is zelfreflectie. Ze hebben er hun mond van vol tegen hun dienaren, maar ontberen het zelf. Totaal gebrek aan zelfinzicht. De schade die zij aanrichten is groot. Met alle gevolgen voor de werknemer, zijn vrouw, zijn gezin. Zijn zelfverzekerdheid, zijn toekomstperspectief.

Die ene winterdag liet ik los, omdat het ín mij knapte. Te lang had ik het touw vastgehouden. Uit vastberadenheid mijzelf te overwinnen onder deze onnozele gans, … Met de korte achternaam. Uit loyaliteit, die grenzeloos leek. Tot het moment dat ik zo werd doorgezaagd dat ik daadwerkelijk ‘pang’ voelde, diep van binnen. Ik ging naar mijn werkruimte en staarde lang voor mij uit. Ik bewoog niet. De sensor ving dat op: het licht ging uit, letterlijk. Ik pakte mijn spullen, zei nog netjes gedag en dat ik ‘echt nu naar huis moest’. Hij zei meewarig dat hij het begreep. En voor mijn tranen uit fietste ik hard naar huis en dook onder de dekens, héél diep. Mijn eigenwaarde was ver onder het nulpunt gedaald. Of misschien onder de aardkorst. Ik voelde mij zo’n onwaardig wezen, een wezen zonder waarde, zonder recht van bestaan. Een slechte moeder, vrouw, kind, zuster, vriendin. Hoe kwam ik erbij dat ik ook maar dácht dat ik recht van ademen had, recht op een plek op deze wereld.

Het duurde heel lang om weer wát zelfvertrouwen op te bouwen. Maar de grootste boost kreeg ik toen ik onlangs een sms kreeg van mijn vriendin: … heeft ontslag genomen.

Het was net voor de vakantie. Hij had ze verrast, zoals hij ons verraste. Ineens was ie weg (uit vrije wil? Of met een dringend advies?). Net als mijn vijf andere collega’s. Maar die waren allemaal kapot. Híj kon gewoon verder, op een gelijksoortige werkplek. Want voor dat soort lijken er onbegrensde mogelijkheden. Tot er weer nieuwe schade is aangericht. En zo trekt deze nomade voort, een spoor van vernieling achterlatend.

… Met de korte achternaam 1

… Met de korte achternaam 1

De vraag is of ik een thema heb waar ik over schrijf. Blijkbaar moet dat. De halve nacht lag ik toch wakker en inventariseerde of mijn columns, en de duizend die ik vannacht alvast in schema zette, onder één thema vallen. Nee, en dat wil ik ook niet. Ik wil over van alles kunnen schrijven. Maar er was een tijd, in een recent verleden, dat ik over niets anders kon schrijven, denken, dromen, praten dan over … Met de korte achternaam. Wat een keurige omschrijving is van … Lul. Alleen, begin je een column met … Lul, of als titel ‘Lul’, haken mensen misschien wel af. En dat is toch wel het láátste wat je wil als je je ei wil leggen, je punt wil maken, een plas wil doen enzovoorts. Nou, trap maar af dan, we halen hem nog even van stal….
… Met de korte achternaam was mijn baas. En ik weet niet of ik het, na al die jaren en al die pogingen van opschrijven, inmiddels binnen de lengte van een column kan opschrijven. Daar ben ik zelf ook erg benieuwd naar. Want het was ingrijpend. In elke vezel in mijn lichaam zat… Met de korte achternaam. Sliep ik, droomde ik van hem, werd ik wakker, dacht ik alleen maar aan hem, sprak ik mensen, sprak ik alleen maar over hem, en ik verfoeide hem. Terwijl er een dag was dat ik enorm gesteld was op hem. Dacht te maken te hebben met een ontzettend rechtvaardig en sociaal mens. Maar dat bleek ineens heel anders uit te pakken op het moment dat een paar mensen hem onder druk zetten. Hij bleek laf tot op het bot. En hoewel ik mijn vooroordelen altijd zelf wilde corrigeren, moest ik ze soms even loslaten om mezelf een hart onder de riem te steken. Dus het feit dat hij van de herenliefde was (wat later pas bleek en in het geheel niet zichtbaar was, in het begin, en op zich ook niks uitmaakt), dat hij Rooms was, uit Brabant kwam, pleitte ineens enorm tegen hem. Af en toe maar. Dan liep ik thuis als een ware gilles de la tourette helemaal los te gaan. Dat ie een ‘vuile, Roomse flikker was’. Iemand die wel naar de grote stad komt maar niet de taal spreek er van. De rituelen niet kent. Het móest er af en toe even uit. Ik schreef het in de nachten van me af. Telkens opnieuw. Hoe hij mij behandeld had, mijn eer besmeurd had door mijn integriteit in twijfel te trekken omdat ‘belanghebbenden’ hem manipuleerden, wat ze zelf ook toegaven. Hoe ze hem konden bewerken, en hoe hij daarin draaide. Maar ondertussen hij mij kapot maakte. Het was een spel leek het, waarbij niemand wist, inclusief hijzelf, wat er precies aan de hand was. En vooral, hoe het zou eindigen. Hij vroeg dingen van mij om me aan te passen, mezelf los te laten, alleen maar om deze ‘belanghebbenden’ tegemoet te komen. Want hij was laf. Hij leverde zijn onderdanen uit zodra hij in het nauw gedreven werd of was. Maar eigenlijk was de meest ontluisterende ontdekking na mijn ontslag: de brief die hij mij destijds stuurde bleek niet eens door hemzelf geschreven. Door de technische ontwikkelingen, ontdekte ik dat hij dát niet eens gedaan had.
Woorden te kort……

De ontmoeting

vumc_behandelkamer 

De ontmoeting

Onderstaand verhaal berust op waarheid. Om redenen van privacy wordt er niet ingegaan op de identiteit van desbetreffende persoon. 

Het kwam totaal onverwacht. Onderweg naar huis reed ik over de brug en zag vlak voor mijn ogen een oude man met zijn hoofd tegen het wegdek vallen. De auto voor mij stopte, ik stopte ook. De man werd op de been geholpen en naar de stoep gebracht. Ik herkende hem, hij was een bekend schrijver maar ook een man die lang geleden in het leven van mijn jeugdvriend een rol gespeeld had. In mijn leven kwam hij op diverse manieren zijdelings langs maar ik kende hem niet persoonlijk. Ik stelde voor hem naar de dokterspost te brengen bij ons op de hoek, nog geen driehonderd meter verderop misschien was daar ook zijn arts. Hij stapte in en ik vertelde hem dat ik hem herkend had. Hij was vol vertrouwen en vroeg hoe het kwam dat ik hem herkende. Ik noemde allerlei ‘ijkpunten’. Hierbij viel mij direct op dat de man mild was en niet direct alle ijkpunten herkende. Dat verbaasde mij enigszins. Maar het deed mij vooral denken aan mijn moeder die in een schimmige wereld leefde.

Aangekomen bij de dokterspost informeerde ik of de man daar bekend was. Dat bleek niet het geval. Men adviseerde ons naar de Eerste Hulp van een ziekenhuis te gaan. Terug in de auto, waar de man had zitten wachten, vertelde ik hem het advies. Dat wilde hij absoluut niet. Na een tocht via de eigen –inmiddels- gevonden huisarts belandden we toch op de Eerste Hulp van een groot ziekenhuis. We werden afgezonderd in een kamer. Om de paar minuten kwam er een arts, verpleegster, co-arts of ander verplegend personeel de kamer binnen en vroeg wat er gebeurd was, wie de man was en waarom hij op pantoffels liep. Mij werd gevraagd wat mijn relatie was tot deze man. Omdat inmiddels duidelijk was geworden dat de familie van de man buitenslands verbleef, legde ik uit dat ik de man onder mijn hoede had genomen. De man was op het moment immers duidelijk hulpbehoevend. En hoewel ik allerlei andere afspraken had en in een totaal andere sfeer verkeerde had ik besloten om hem te ondersteunen zolang als nodig. In ieder geval tot er meer duidelijkheid was gekomen over zijn situatie. Bijvoorbeeld of hij in staat was om alleen naar huis terug te keren of dat hij zou worden opgenomen.                                                                                                                                                                                 In de tussentijd voerden de man en ik lange gesprekken afgewisseld met lange stiltes. Daar leende de tijdspanne zich goed voor. We tastten elkaar af, observeerden elkaar. Hij was beleefd maar ik zag aan zijn ogen, dat ik qua vrouw niet tot zijn doelgroep behoorde. Hij, op zijn beurt, zag er voor zijn leeftijd goed onderhouden uit. Wij spraken over schrijven, de zin van het schrijven, in de breedste zin van het woord. Ik vertelde van mijn ambities, al was het kort want het ging om hem en zijn staat van zíjn. Hij vertelde over zijn jeugd, over wat zijn schrijversleven voor hem betekende. Ik zou hem niet in de verste verte ooit kunnen benaderen, maar had dat streven ook niet. Hij was een bijzondere man en het was een heel bijzondere middag die tot in de avond duurde. Daarna bracht ik hem thuis.