Graham Norton triggert … uit een grijs verleden

campari_campari_on_the_rocks

Graham Norton triggert … uit een grijs verleden

 

We kijken naar een oude aflevering van Graham Norton waar o.a. Bill Bailey, een Engelse comedian, een verhaal vertelt over een situatie waar hij ooit in verzeild raakte toen hij dronken was. Het een en ander wordt ondersteund met allerlei grappige filmpjes van mensen in eenzelfde situatie. De momenten waarop je zonder dat te beseffen de regie hebt verloren over je eigen handelen.

Ineens herinner ik me een soortgelijke situatie van meer dan veertig jaar geleden (dat moet wel want ik heb al veertig jaar geen druppel alcohol meer gedronken). De tijd waarop mijn vriendin en ik héél veel uit gingen en soms in de raarste situaties terechtkwamen. Dit specifieke voorval was in de Halvemaansteeg, een zijstraat van het Rembrandtplein. Daar was een café waarvan de eigenaar bij mijn weten Israëlisch was en waar altijd een soort van Israëlische, Arabische en Turkse muziek gedraaid werd. Wij kwamen er ongeveer elke avond, als afzakker. Eerst bezochten we café de Pieter en de Pieterspoort, in de Pieterspoortsteeg, en daarna gingen we naar dit café. Van de bezoekers kan ik me niet veel meer herinneren omdat het vaak tegen die tijd al laat was…. Als dit café dicht ging, gingen we meestal naar een naastgelegen shoarmazaak. Er waren er toen twee, een in de Halvemaansteeg en een in de Amstelstraat. Tegenover dit café zat De Hongaar, een soort nachtsnackbar waar je bij een man achter een deur met een open luik een kop goulashsoep kon kopen tegen 1 gulden statiegeld, want het was een stenen kop. Op straat voor de deur at je die dan leeg en retourneerde hem, tegen terugbetaling van die ene gulden. Ook bakte hij op een grillplaat hamburgers met gebakken ui.   We spreken over het begin van de jaren zeventig.

Deze nacht was ik in het Midden-Oostencafé. Wat er aan vooraf ging kan ik me niet meer herinneren. Wat ik me wel kan herinneren was dat ik op enig moment naar het toilet gegaan ben. In kennelijke staat, zoals behoorlijke dronkenschap keurig omschreven wordt. Of het alleen drank was of ook rookwaar kan ik me niet meer herinneren maar het zou zomaar kunnen. Ik herinner me ook nog heel goed dat ik op dat toilet zat en er niet meer af durfde. Ik weet niet of dat kwam omdat ik me ergens voor schaamde. Had ik misschien iets geks gedaan? Ik kan het niet terugbrengen. Het gevoel van schaamte en wegvluchten is wel iets wat me, in een extreem geval, niet helemaal onbekend voorkomt. Ik weet ook nog dat ik dacht en hoopte me via een onderaardse tunnel, door mijzelf te graven, ongezien zou willen laten verdwijnen. Na enige tijd heb ik toch maar voorzichtig de deur geopend. De twee toiletten van het etablissement lagen iets achter in de caféruimte, in een soort halletje. Heel voorzichtig wierp ik een blik om het hoekje van de deur en keek in een volkomen donkere ruimte. Niets te zien, sterker nog; ook niemand te zien. Hoe lang had ik op het toilet gezeten?? Tot de dag van vandaag weet ik het niet. Het besef van tijd was me ontgaan. Ik weet alleen dat iedereen naar huis was. Iédereen, ook mijn vriendin. Ik begreep er niets van. Had ik er dan uren gezeten?

Ik stapte de caféruimte in en liep naar de deur. Die zat alleen op een draai-lips-slot. Ik draaide hem open. Daarna ging ik naar het naastgelegen shoarmacafé. Daar trof ik mijn vriendin aan die helemaal niet had begrepen waar ik was gebleven. Want het café was dicht gegaan en ik was helemaal nergens meer te bekennen geweest, al die tijd. Ik was toch naar de wc gegaan? Blijkbaar was ook zij in kennelijke staat en nam ze alles als voor vanzelfsprekend aan. We besloten nog even terug te gaan om te kijken of de deur nog steeds open stond. Eigenlijk voelde ik me nog verantwoordelijk om de tent netjes achter te laten. Even later stonden we met zijn tweeën achter de bar in het donkere café en kregen de slappe lach. We namen een paar koshere hamburgers mee en een restfles Campari en een schone theedoek om alles in te verpakken. Daarna vertrokken we. De deur gewoon dichtvallend maar niet afgesloten. Want dat kon niet. Hoe het afgelopen is en wat ze er de volgende dag van gevonden hebben, zijn we nooit te weten gekomen. We hebben een paar dagen overgeslagen en zijn daarna nog wel weer erheen gegaan, met ons gedeelde geheim.

Ook heb ik eens ‘s nachts een half servies meegenomen, uit een danstent aan de Nes. Hoe weet ik niet meer. Het bestond onder meer uit een soepterrine en een aantal ontbijt- en dinerborden. Ook wat kop en schotels. Ik heb het niet lang geleden geschonken aan de basisschool om er mozaïek mee te maken. Twee kop en schotels heb ik nog bewaard. Ik serveer er koffie en thee in aan mijn schoonouders. De naam van de danstent staat er nog op.

Terugkijkend op deze ervaringen blijkt dat er momenten in een puberbrein zijn waar je later engszins met schaamte op terugblikt.

Link aflevering: https://www.youtube.com/watch?v=xnsf5a_4UuA

 

AFAC

AFAC fietsdepot

AFAC

Oftewel: ‘Ah Fuck’. Dat was wat ik dacht nadat mijn jongste zoon thuiskwam van zijn nieuwe baantje. Hij, een hardwerkende en hele serieuze student had in de ochtenduren op het Zuidplein gewerkt, om wat bij te verdienen. Maar na zijn dienst beek zijn fiets foetsie, om maar een leuke alliteratie erin te gooien. Of om het nog wat uit te breiden: ‘Fuck, fiets, foetsie!’. Dochter zei dat hij misschien was meegenomen omdat hij daar niet had mogen staan. ‘Voor fietsen verboden’, en dat op 20 april….

Maar goed, zoeken, tussen de hekken en rekken had niets opgeleverd. Dus ofwel hij was meegenomen door de AFAC (Algemene Fiets Afhandel Centrale -hoezo deze naam, waar slaat de naam op? Het is de Algemeen Erkende Diefstal Centrale, AEDC-, net als parkeerbeheer een van de best werkend diensten van de stad, door mij vaak ‘grappend’ de Stasi genoemd) óf hij was gestolen en dan moest er –al was het maar voor de statistieken- aangifte worden gedaan.

Als eerste werd gebeld met de AFAC. En we hadden meteen BINGO. Hij stond er. In een onoplettend moment, mijn zoon had er steeds zicht op, was hij dus ingeladen in een auto van dit team.                                                                                                                                                                                                                                     Het was de tweede keer dat dit gebeurde. De eerste keer was een jaar of acht geleden, de dag nadat mijn zoon zijn twaalfde verjaardag had gevierd. Door de verjaarsvisite was het mij ontschoten. Er was aangekondigd dat er nieuwe rekken zouden komen dus iedereen moest zijn fiets er uit halen. Het schoot mij ’s ochtends om kwart voor acht te binnen en ik rende naar buiten. Te laat. De auto was al weg en het rek ook. Én mijn zoons kinderfiets. Ik belde rond met de instanties en de auto werd getraceerd, we renden de buurt door, maar het mocht niet baten. Ook in een andere buurt was de auto al geweest. Dat betekende dus vijftien kilometer van ons huis érgens in het Westelijk Havengebied van Amsterdam de fiets ophalen. À, toen nog, € 10.

Maar ik moest die dag even later met mijn demente moeder naar het ziekenhuis, er moest geheugentest worden. Wat betekende: eerst naar het Zorgcentrum, helpen aankleden, met haar daar naar toe, de test, een gesprek met de geriater, en daarna de fiets ophalen. Al met al meer dan ruim een dagdeel bij elkaar. Zonder fiets was mijn kind onthand. Ontfietst. En hij had die dag ook al een sportdag dus moest ik hem eerst naar de sportvelden brengen anders kwam hij te laat. Kortom, een hoop geregel voor de moderne sandwichmoeder.

Na dit alles, net op tijd, kwamen wij in het niemandsland liggend tussen de wereldzeeën bevarende schepen. Daar waar de geur van ver weg hangt. Daar waar het terrein van de AFAC zich bevindt: een terrein van wel drie voetbalvelden groot met alleen maar fietsen, fietsen en nog eens fietsen. Zoveel eenzaamheid bij elkaar. Bij een armoedige hut konden we vrij snel alles afhandelen en zo kon mijn moeder nog net op tijd aanschuiven voor de avondmaaltijd en kon ik thuis op de valreep een maaltijd op tafel toveren. Het was een lange dag geweest.

Later ontving ik nog op mijn klacht hierover een excuusbrief van de een of andere buurtwethouder. Hij schaamde zich voor de gang van zaken. En terecht.

Maar nu belden wij en bleek de fiets dus daar te staan. Voor dit keer € 22.50 konden wij hem ophalen. Dat was wel in acht jaar tijd meer dan een 100% verhoging. Voor € 35 kon ik hem laten bezorgen en na een korte overweging koos ik daar voor. Er heen rijden zou mij ten slotte ook zo’n zes euro kosten, dan de tijd en de ergernis dus ik koos voor luxe. Met een strik er om.

Hij zou de volgende dag gebracht worden. Tussen halftwee en half vier. Vandaag dus.                                                                                                                                  ExKAKT om halfvier wordt er aangebeld en kan ik de fiets weer in mijn armen sluiten. Ik betaal de € 35 (ongeveer het door mijn zoon bij elkaar gewerkte bedrag in vijf uur, en steek mijn pinpas in een losse-broekzak-pinautomaat). De man, die met een keurig gesloten busje (‘Bezorgservice’) de fiets heeft vervoerd, houdt het apparaat goed vast, met een tremor. Van de drank? Vraag ik mij stiekem af. Want van zulk werk word je toch echt niet vrolijk, al die fietsen bezorgen bij die boze eigenaren. Ik houd mij beleefd in en bedank hem, maar diep van binnen vervloek ik die klotedienst. Als er geld te kloppen valt werken de diensten uitstekend.

 

 

 

 

Berlijn (2)

Berlijnse muur

Berlijn 2

Mijn vriend werd nu ondervraagd en na een ongeveer kwartiertje kwam hij grinnikend naar buiten. Waarschijnlijk had hij niet veel kunnen vertellen maar had deze Heinz Wurst besloten om ons maar doorgang te verlenen.

Nadat we het checkpoint achter ons hadden gelaten, vertrokken we weer per auto om vlakbij de grens even een drinkpauze in te lassen. In een kraakwit etablissement werd door kokkinnen in een keuken allerlei voedsel opgeschept. Door een metersgroot doorgeefluik werd dat aan de serveersters aangereikt. Het was lunchtijd. Tijd om warm te eten. Wij hielden het bij koffie. Door dezelfde uitgebluste serveersters, lopend op de kenmerkende Oostblok schoenen, op onze tafel neergezet.

Mijn andere vriend moest naar het toilet en kwam even later terug met de mededeling: ’Ik heb net met een stift op de wc deur geschreven ‘Leve Ho Chi Minh’’. Het was nog de tijd van de wilde haren maar tegelijkertijd rezen mijn haren te bergen. De idioot. Hadden we net dat gedonder aan de grens gehad, nu was alles herleidbaar tot ons. Wie anders zou zoiets doen. Ik ging snel naar de wc maar de inkt zat er stevig op. Zo snel mogelijk wegwezen was het beste alternatief. We rekenden af en vertrokken.

We reden naar het huis van Günther. Belden aan. Niemand thuis. Wel stond er in de straat een Lada met twee heren… Onverrichterzake zetten wij de reis voort.

Even later parkeerden wij de auto en wandelden in de buurt van een station. Aan de mannen werd door een invalide man gevraagd of zij hem de trap op kon helpen in zijn rolstoel. Behulpzaam tilden ze de man omhoog. Even later terugkerend met 150 Oost Duitse Marken. Zij hadden die voor 50 West-Duitse omgewisseld. De enige manier voor Oost-Duitsers om af en toe iets bijzonders of iets van betere kwaliteit te kopen. Jezus, wat was ik boos. Hoe in Christusnaam konden wij al dat geld opmaken wetend dat we overal bonnen van moesten overleggen bij terugkeer langs Checkpoint Charly. We zouden zeker vanavond opnieuw ondervraagd worden, na vanmorgen. Ik zag enorme beren opduiken. De enige manier om van al dat geld af te komen was het ‘op te eten’. We hadden naast dit geld ook de verplichte 5 West-Duitse Mark per persoon al omgewisseld en bezaten nu gezamenlijk 170 Oostmark. En zo reden we naar de eerste de beste benzinepomp en gooiden de tank vol. Nog geen dertig Oostmark waren we kwijt en zoveel kilometers maken in deze stad om hem weer vol te gooien zou niet lukken.

’s Avonds gingen wij zo duur als mogelijk eten. Vier gangen. Maar ook nu bleven we met een berg geld zitten, ook na de flinke fooi. De tijd tikte voort en om 00:00 Uhr moesten we weer in ‘West’ zijn. We moesten van het geld af zien te komen. Er zat een hiaat in het ’s ochtends aan de grens opgegeven geld* en de hoeveelheid nu en we hadden nog zeker zo’n honderd Oostmark. Nu begon de onrust toe te nemen. We reden door donker Oost-Berlijn en kwamen in een willekeurige straat. Daar stond een vrouw bij een bushalte. Wij openden het raam en vroegen haar of zij wat geld wilde hebben. Ze bedankte vriendelijk voor deze behoorlijk vreemde vraag. We reden door en zagen wat leeftijdgenoten. Of zíj misschien wat geld wilden. Lacherig namen zij een prop geld in ontvangst. Nog steeds kwamen uit onze zakken allerlei biljetten en munten. We reden een kleine donkere straat in, langs de muur, openden de deur en gooiden al onze verzamelde Oostmarken al rijdend de auto uit. Gierend van de lach om wat mensen zouden denken de volgende dag, als ze het geld op straat zouden vinden. Het moeten vele tientjes bij elkaar geweest zijn.

Even later, terug bij de doorgang van Checkpoint Charly, kon ik mijn achtergelaten cadeautjes voor Günther weer ophalen. Ze lagen keurig in een plastic zak achter de balie. Wij hoefden verder niets meer te laten zien en konden zo verder trekken naar West Berlijn. Opgelucht.

 

  • Aan de grensovergang diende men zijn bezittingen op te geven.

Berlijn (1)

DDR- Transit Visa

Berlijn 1

 

Het was in het laatste kwartaal van de vorige eeuw dat ik met drie vrienden naar Berlijn ging, twee jongens, twee meisjes. We waren begin twintig. In de auto van een onzer moeders vertrokken we voor een paar dagen. Het was nog lang voor de val van de muur en bij Helmstedt (de grens met Oost-Duitsland) moesten we een Transitvisum kopen à 5 Oost-Duitse D-Marken. Ons doel was zowel West-Berlijn te bezoeken alsmede mijn Oost-Duitse vriend die in Oost Berlijn woonde. Ik had hem twee jaar er voor leren kennen op mijn eenzame Interrail-trip naar Scandinavië. Ik had een boek over Berlijn en de Tweede Wereldoorlog gelezen en wilde naar die stad. In Denemarken nam ik de boot naar Rostock en reed van daaruit per trein naar Oost-Berlijn. Daar leerde ik hem kennen, Günther, werkend in een Hänchenbar, waar hij de hele avond gegrilde kippen in tweeën knipte. Wij wisselden onze adressen uit. Hij een totaal verzenuwde man, ik een vrije-wereld ontdekker. De onplezierigheden van de grensbewaking zou ik die avond mee kennismaken, toen ik met de S-Bahn via Friedrichstrasse naar West-Berlijn reed.

Nu twee jaar later gingen wij met zijn vieren overnachten bij Frau Rühlicker, een kéurige oude Duitse dame in een enorm herenhuis, ik meen aan de Bismarckstrasse. De twee heren sliepen samen in een kamer en wij, de twee dames, sliepen in een andere kamer. En na onze bezoeken aan de stad werden wij voor een drankje ontvangen door de dame des huizes, Frau Rühlicker zo gezegd. In haar salon.

Een van de uitstapjes die wij maakten was, zoals afgesproken, naar Oost-Berlijn. Wij reden ’s morgens naar de grensovergang Checkpoint Charly. De bij mijn weten enige overgang voor Westerlingen. Met een dag-visum zouden wij hem gaan bezoeken, Günter. Ik had voor hem allerlei tweedehands LP’s bij Concerto gekocht en een vaantje van Ajax. Bij de doorgang van Checkpoint Charly werden wij apart genomen. Misschien omdat wij er te hippie-achtig uitzagen. Daar ga ik maar van uit. Het was de tijd van ‘beter langharig dan kortzichtig’.

Omdat ik al deze attributen bij mij had moest ik aan de grensovergang-soldaat van deze heilstaat vertellen wat daar de reden van was. Ik vertelde dat ik een vriend ging bezoeken. Direct werd ik meegenomen naar een kamer in het lelijke containerachtige gebouw. Ik nam plaats tegenover een enorm dikke zwaar ademende Duitser in uniform met waarschijnlijk een hoge rang. Hij legde zijn pet op tafel en begon mij te ondervragen. Wie ik was, wat ik deed (op dat moment werkzaam in de kassa van een Gemeentelijk Openlucht zwembad in de hoofdstad, als werkstudent). Wie mijn vader en moeder waren. Wie ik bezoeken wilde en waar ik hem van kende. Hoe lang ik hem bezoeken wilde. Met wie ik was. Wat zij voor werk deden, waar wij vandaan kwamen, hoe wij elkaar kenden. En ga maar door. Na een kwartier hakkelen in een soort van steenkolen Duits gaf ik, op de vraag wie mijn vrienden waren en wat hun ouders deden, antwoord dat één van deze vrienden zijn vader premier van Nederland was. ‘Aha,’ zei de enigszins onderuitgezakte vette ‘generaal’ op ongeïnteresseerde toon. Maar er klonk toch nieuwsgierigheid in zijn stem. ‘Hm’, hij wilde graag weten wat deze vader verdiende. Ik zei dat ik het antwoord schuldig moest blijven, geen verstand van zaken hebbend nog van inkomsten. Ik kon gaan. Mijn vriend moest nu de kamer binnen. Waarschijnlijk wilde hij meer weten.

-wordt vervolgd-

Fiets in de avond

Voordrager-breed-matzwart-30540-Willex-1 april 2016

Fiets in de avond

 

Het eten was óverheerlijk. Ik had me (ondanks dat ik me in hartje Jordaan bevond) in Italië gewaand. Het land waar ik de afgelopen drie jaar met vakantie naar toe geweest was. De sfeer in het restaurant was herkenbaar, het eten eveneens. Het gezelschap waar we mee waren was aangenaam, maar uiteindelijk uitgewaaierd naar de verschillende windrichtingen vanwaar men gekomen was.

Nu stonden wij met zijn tweeën nog even na te praten en gingen naar buiten. Maakten onze fietsen los. Omdat het rek te vol was stonden onze fietsen ernaast maar tegelijkertijd dicht bij de stoeprand. Een andere fiets die het meest aan de stoeprand stond viel om en suisde rakelings langs een geparkeerde auto voordat hij ter aarde viel. Het was een grote, eigentijdse stadsfiets fiets met een rek aan de voorzijde.

Wij zetten onze eigen fietsen op de standaard en probeerden de omgevallen fiets weer rechtop te zetten maar het frame haakte aan de onderzijde van de auto, aan een onderdoor lopende bumper. Het was een lastig karwei en we stonden even beteuterd te kijken hoe we de fiets, die dus niet eens van ons was, schadevrij overeind konden krijgen. Zo bezig zijnde verscheen in onze ooghoek de rijzige gestalte van een oudere dame, gekleed in een soort van eikenhouten regenjas met tailleceintuur, een donkerrode panty met hoge leren laarzen en aan de arm een handtas aan een hengsel hangend. Het haar in pagemodel. Een beetje -te- tijdloze verschijning.

De dame onderbrak haar wandeling en vroeg met een zware basstem; ‘Wat is er aan de hand?’ Wij legden uit dat de fiets gevallen was en het ons niet lukte hem overeind te krijgen. En misschien waren wij wel even bang dat het de eigenaar van de auto was, die verhaal kwam halen of een eventuele schade wilde verrekenen. Ik antwoordde voor de zekerheid nog een beetje laffig: ‘En hij is niet eens van ons.’ De vrouw stapte kordaat op de fiets af en onder de, met wederom zware stem uitgesproken, woorden: ‘Ik kom uit een familie van ingenieurs….’ trok ze in één scheppende handbeweging de fiets uit de onfortuinlijke positie rechtop omhoog. Wij vrouwen stonden erbij en keken er naar. Namen de fiets over om hem vervolgens veilig op de stoep terug te zetten.

De oudere dame zei: ’En niet met vreemden mee gaan hè!’ en beende in een stevige pas verder, langzaam verdwijnend in de donkerte van de Jordaan.

Reve

DSC01635 DSC01638

Reve

 

Mijn held overleed tien jaar geleden. Het toeval wilde dat ik een paar weken terug voor een cursus een biografie moest lezen. Ik koos ‘Ons leven met Reve’. Geschreven door de levensgezel van het eerste uur van Gerard (Kornelis van het) Reve, Willem van Albada, Teigetje. Het was een boeiende biografie, of misschien ook meer een auto-biografie. Het gaf een prachtig inkijkje in het leven dat zij leidden, het ontstaan van hun vriendschap, later uitgebreid met Henk van Manen, Woelrat. Hun verhuizing naar Greonterp en de verbouwing van hun huis in Frankrijk. En ten slotte hun scheiding. En het volledig negeren van hun betekenis bij ziekte en na de dood van Reve door zijn laatste levensgezel. Het boek was in een Reviaanse stijl geschreven en ook nu moest ik regelmatig lachen om allerlei beschrijvingen. Wie nu wát had uitgevonden aan die stijl, ik zou het niet weten. Maar ik herkende Reve er in.

Stom toeval was het dat afgelopen week in het teken stond van zijn overleden, nu tien jaar geleden. Ik had me dat totaal niet gerealiseerd. En hij bleef voor mij eigenlijk ook altijd een beetje leven. Die Reve.

Op mijn vijftiende kreeg ik voor Sinterklaas van mijn ouders De Avonden. Ik las het en was meteen verkocht. Genoot van zijn manier van schrijven en verslond de latere boeken. Niet alle verhalen vond ik even boeiend, hoewel…. Ik las zijn korte verhalen wel eens aan mijn kinderen voor; Lekker kerstbrood bijvoorbeeld (waarbij ik steeds moest stoppen vanwege de slappe lach). Maar niet alleen de verhalen vond ik prachtig, de figuur intrigeerde mij ook mateloos. Ooit als leerling journalist bij Het Parool begonnen als rechtbankverslaggever, in de tijd dat mijn vader (zaliger) er werkte. Vragend of hij zich iets herinnerde er van was het antwoord dat hij nogal gefixeerd was op de daders en de straffen. Iets wat wel herkenbaar was in zijn werk.

Reve woonde niet ver hier vandaan, in de tijd dat De Avonden geschreven werd. Het speelde zich dus ook daar af. Ook dat vond ik intrigerend. En zo begon ik allerlei nieuws omtrent de persoon te volgen. Zo heb ik zelfs nog een krantenknipsel ergens uit het eind van de zestiger, begin zeventiger jaren waarin staat dat hij in een winkel in Veenendaal een man in de kassarij op de bek geslagen had. Dat verhaal kon ik, nu belicht van de andere zijde, teruglezen in de biografie. Later, toen zij al lang uit Greonterp vertrokken waren, bezocht ik het gehucht en het huis.

In 1978 reed ik met mijn nieuwe liefde naar Zuid-Frankrijk. In de buurt van Le Poët-Laval, in de Drôme zag ik ineens een Citroën HY bus met Nederlands kenteken. Enigszins bezeten begon ik deze te volgen om na een halfuur af te haken, ontdekt hebbend dat het hier iemand heel anders betrof. Wel maakte ik nog een foto van het, zijn, huis in het dorpje. (Hoe gek kun je zijn).

Ik genoot van Reve als hij ergens opdook in een programma of artikel. Zijn formuleringen, zijn hele verschijning, die ik ook bepaald niet onaantrekkelijk vond.

Maar ik ben ook verlegen.

En toen kwamen de lezingen. Ik meen een in de Brakke Grond, maar daar ben ik niet zeker van, en een in de kerk in Leiden. Met mijn bibliotheek ging ik op pad om na het genieten van zijn toespraak en beantwoorde vragen (waarvoor ik zelf veel te schijterig was om er ook maar één te stellen, ik wilde wel maar mijn hart bonkte in mijn keel) met mijn boeken naar de meester te schuifelen. Ik bood mijn boeken aan, een hele stapel. Reve ondertekende alle exemplaren met de kroontjespen. En, ik mag wel zeggen, dolgelukkig toog ik naar huis.

En toen was hij dood. Hij was langzaamaan afgetakeld, wat nog –voor zover ik mij goed herinner- in een portret van Hanneke Groenteman te zien was, opgenomen in zijn huis in Machelen aan de Leie. Een man wiens hersenen aangetast waren.

Eind april van dat jaar, 2006, bezochten we Brugge. Op de terugweg besloot ik langs Machelen aan de Leie te rijden. Een deceptie. Na vertrek uit het prachtige Brugge kwamen we terecht in het deprimerende kale en platte landschap van West-Vlaanderen. Bij Machelen aan de Leie sloegen we af en reden een eindeloze rit over een rijksweg in onderhoud. Ergens in een zijstraat sloegen wij af om het huis van Reve, waar nu zijn weduwnaar woonde, te bewonderen. Een treurig inspiratieloos huis met een enorme overwoekerde tuin en naar beneden gelaten rolluiken. Het was een korte straat. Het leek wel een straatje in niemandsland (ik put uit mijn herinnering). Vervolgens zochten wij de begraafplaats op waar Reve niet lang ervoor ten grave gedragen was, zonder, en dat wist ik nu uit de biografie, de aanwezigheid van Teigetje en Woelrat, die zoveel betekend hadden in zijn leven. Na enig zoeken kwamen wij aan de andere kant van dezelfde treurige rijksweg bij de begraafplaats aan. Op een nieuw en kaal veld lag hij daar, rustten zijn vermoeide botten, zijn weggevreten hersens. Zijn stoffelijk overschot. Bedolven onder vergeelde en inmiddels verlepte bloemstukken. Ik werd er treurig van.

Ik had graag de begrafenis bijgewoond van mijn held, ik had alleen de radio-uitzending gevolgd die (in mijn herinnering) zaterdagmiddag. Wij zetten toen de caravan op. Heel volks. Maar ik was erg blij nu er naar toe te zijn gegaan. Het had al mijn fantasieën ingelost. Het was afgerond.

Ik schreef een kaart en stak die tussen de bloemen, bedankte hem voor alle mooie momenten die zijn boeken voor mij betekend hadden. Stak tot slot de pen in de zandhoop en vertrok. Hem eenzaam achterlatend. Oud en Eenzaam.

 

De Sportschool

Du midi

De sportschool

 

Een jaar of drie geleden, toen ik geheel in het slob geraakt was, kon ik mijzelf er niet toe bewegen om naar de sportschool te gaan. Het is niet echt een hele officiële sportschool, met een filmscherm en rijen toestellen maar meer een herstelsportschool. Op een plek waar ooit wel de spoelen draaiden voor ‘Gone with the wind’, The Westside Story’, ‘The getemde Feeks’, en ‘Grease’. Waren vroeger de ramen zwart afgeplakt, tegenwoordig kijkt men uit op de kade die het Zuideramstelkanaal begeleidt naar het Nieuwe Meer.

Maar na een langdurige opkrikperiode, waaraan ik mooi aangepast schoeisel overhield, ga ik nu regelmatig naar de sportschool. Mijn tegenzin is onmetelijk groot maar als ik regelmatiger ga, neemt hij iets af. Sla ik een week over, neemt hij meteen toe. Terwijl mijn dochter (dezelfde als die zwemt) drie kwartier op een loopband rent, zet ik me op toestellen met de welluidende namen als: leg press, legg extension, en weetikveel wat nog meer. Inmiddels heb ik uitgevonden wat verlichting brengt n.l. mijn radio. Geheel afgesloten van de buitenwereld luister ik naar radio 1 en probeer een beetje variatie aan te brengen in de setjes die ik afwerk. De zwaartestand is 9 (van de 12) en ik versterk mijn spieren. Hoop ik. Soms loop ik 10 minuten op de loopband en kijk uit over het water van de Boerenwetering. Daarna fiets ik nog een kilometer of drie, vier, richting Groenlo. In gedachten. En na ruim een uur, soms anderhalf, trek ik mijn jas aan en vertrek.

Beneden gekomen probeer ik met één zwaai op de fiets te komen. Helaas, die vordering heb ik nog niet gemaakt. Ik pers mijn been heel voorzichtig tussen het frame door en wip langzaam op het zadel en zet snel de voeten op de trappers zodat ik niet hoef om te vallen. Dan kom ik in beweging en begint de boel te stabiliseren. Het voelt iets steviger. Maar thuisgekomen en afgestapt en de trap oplopend stel ik vast dat ik, nu, na bijna acht maanden, me totaal niet als herboren voel. Ik voel me een oude kruk. Alles piept en kraakt. Hort en stoot. Maar ik ga vrolijk door. Hoewel vrolijk misschien niet echt de juiste omschrijving is.  Echter, om het radarwerk in de gewrichten te smeren, moet er beweging in zitten. En ik laat mij niet uit het veld slaan.

Troost is dat deze school waar sportievelingen komen, vooral bezocht wordt door soortgenoten of erger. Dus ik hoef helemaal geen minderwaardigheidscomplex te ontwikkelen. Er lopen geen vrouwen met haarbandjes die de hersens samenbinden, geen mannen met uitpuilende onderdelen, dan alleen op de plek waar dat normaal geacht wordt. Het is een treffen van soortgenoten. Mensen die wel vooruit willen maar nog niet zo snel zijn. ’t Is meer een soort van onderhoudsbeurt, die daar dagelijks plaatsvindt.

Voor nu: einde van het sportieve tweeluik.

 

Zuiderbad

epa02455785 Park Hyunha and Park Hyunsun of Korea perform during Duet Synchronised Swimming event at the Guangzhou 2010 Asian Games at Foshan Aquatics Centre of Guangzhou city, southern China's Guangdong province, 19 November 2010. China won the first, Japan won second and Korea won the third.  EPA/WU HONG

Zuiderbad

Onlangs ging ik na een kwart eeuw weer eens zelf zwemmen in het Zuiderbad. Ik was er wel geweest met schoolzwemmen van de kinderen of met mijn werk, maar dat ikzelf er gezwommen had was wel héél lang geleden. En nu had mijn dochter mij overgehaald. Hoewel ik het al een jaar of drie me had voorgenomen. Maar ik wilde nooit in de buurt zwemmen, alleen in het buitenland. En dan ook nog zonder mijn eigen bril op. Dat gaf voor mij hetzelfde effect als een peuter die onder tafel zit met zijn handen voor de ogen en dan denkt: ze zien me niet. Zo denk ik datzelfde: ik zie onscherp, dan zullen anderen mij ook wel onscherp zien. Maar nu ging ik dan toch maar in vol ornaat naar de waterbak. In badpak lopend langs de rand, eerst verplicht douchen.

Mijn herinneringen gingen terug naar mijn zwemlessen daar, gegeven door een soort opgeschoren aap van een man, zeer onvriendelijk en in een wit pak. Ergens begin jaren ’60. Je hoofd hing je angstig in een haak, en zo werd je voortgetrokken langs de kant, in je eigen schoolslag…. Na het A-diploma verder voor B. Duiken, plat op je buik… PATS. En vrolijk blijven kijken. En na B oefenen voor C, bordje duiken, reddend zwemmen en afzwemmen in het Sportfondsenbad Oost.

Maar nu in een bak met allemaal pré- en hele bejaarden. Mijn dochter in de borstcrawlbaan naast mij. En terwijl ik me volgens haar als een ‘streepje’ (lees: zeepaardje) voortbeweeg, passeert zij mij drie keer. Ik voelde me al hopeloos verouderd maar nu helemaal. Waar is de tijd dat ik als een soort Enith Brigitha door het water stoof. Als ik nu probeer om horizontaal te zwemmen maak ik een soort ‘surplace’ en blijf als een boei liggen. De dikte. Verschrikkelijk. Maar doorzetten. En zo zwem ik dan telkens twintig baantjes, -tjes, want het is maar een klein bad.

Meestal gaan we samen zwemmen maar dat kan niet altijd en dus besluit ik om alleen te gaan op de 55+ ochtend. Dan bevind ik me onder lotgenoten, vermoed ik. Ik ga op woensdagochtend. Zelfde ritueel; uitkleden en alles verplicht in een kluis en dan in badpak, voelt als een soort van bloot, naar de bak. Vele leeftijdgenoten of iets ouder. Wat opvalt: veel mannen. Ik land in het water, zakkend vanaf het trappetje met leuning. Houvast. En begin aan mijn reis. Maar wat nu ook opvalt zijn de vele mannenblikken die speuren. Hangend aan de zijkant. Zonder bril kan ik heus nog wel wat zien.                 Is het op een gewone  ochtend met vrij zwemmen zo dat allerlei mensen als ongeleide projectielen kris kras door elkaar zwemmen en niet bijvoorbeeld rechtshouden, of zelfs ineens midden in het water stoppen en gaan theekransen, nu bekruipt mij een beetje een viezig gevoel. Uitgezakte lichamen, sowieso al onappetijtelijk, maar vandaag op jacht. Mannen vooral. Die zijn ook in de meerderheid. Het lijkt wel een datingbak. Ik zwem gestaag door en doe of ik niets zie -maar ik zie alles over het algemeen- en bij het rugzwemmen zie ik een man in dezelfde baan. Ineens voelt spreid- sluit helemaal niet vanzelfsprekend. Ik draai mij om naar schoolslag en spreek met mezelf af dat dit een vergissing was, 55+ zwemmen. Ik sta open voor van alles, denk ik altijd, maar merk dat dat toch niet helemaal waar is.

 

Volgende keer: de sportschool …

Hond

rudi aan het werk...

Hond

Juni 2012 kwam hij in ons gezin. Dochter had eindelijk een eigen woning en was een beetje in een beter vel komen te zitten en kon haar wens om een eigen hondje te hebben inlossen. Ik wilde nooit een hond want: a) ik hou meer van katten en b) ik heb een hekel aan de dwang van honden uitlaten en c) ik vind honden eigenlijk een beetje dom, en dat gepoep vies. Maar toen, bij ons tweede bezoek aan het asiel kwam de aangevraagde Yorkshire aantrippelen. Bij ons eerste bezoek kregen we teckel Max mee maar die was zo teleurstellend dom en ongeïnteresseerd tijdens de proefwandeling dat we hem snel retourneerden. Nee, dit hondje stal meteen onze harten. Wij gingen weer proefwandelen en het was liefde op het eerste gezicht. Dochter legde een bedrag neer en hond ging mee naar huis. We hadden nog geen naam en hij heette Bas maar die naam wilden we niet. Onderweg kwamen allerlei namen langs; Boris, Kees, Klaas, Peter, Anus, die laatste leek ons leuk, dat oma hem moest uitlaten en dan ‘Aaaanus’ roepen. We hadden enorme lol. Maar het werd Rudi.

In oktober van dat jaar gingen mijn dochter en ik met zijn tweeën naar Spanje. Rudi ging vliegen, met ons. Op Marktplaats vonden we een bench want Rudi was nèt te hoog op de poten voor in de cabine. Hij ging in het ruim. Op Barcelona aangekomen en wachtend in de hal op de bagage, ging bij de laatste band een rode lamp knipperen. Rudi verscheen in zijn bench onder de flappen van de bagageband door en stond met een schok stil. We haalden hem uit de bench en met de gehuurde auto reden we twee uur in het donker van de nacht naar de plaats van bestemming. Die week zou Rudi in vrijheid zijn hart ophalen met rennen langs de kust. Dat het weer ‘naadje’ was, deed er voor hem niet toe.

Dochter ging een opleiding volgen, ging vijf weken naar Bonaire, nog eens drie weken naar Bonaire, drie maanden voor stage naar Londen. En zo werd Rudi onze gemeenschappelijke hond, hoewel ik niks met honden had en heb. En terwijl de week honderdachtenzestig uur bevat, en ik gemiddeld zo’n zestig uur daarvan in bed doorbreng, slapend en lezend, was Rudi ook nog eens een uur of zestig, gemiddeld, bij ons. Wat inhield dat wij toch opgezadeld werden met de uitlaatservice. Meestentijds opgevangen door andere dochter.

En zo is Rudi in de afgelopen jaren met ons mee geweest naar Frankrijk, Oostenrijk, Duitsland en Italië, ook met het vliegtuig. Hij vindt alles vanzelfsprekend. Of hij nu in de auto (favoriet!) een tochtje maakt, door de Italiaanse heuvels rent, in een Oostenrijkse stoeltjeslift of cabine zit, alles vindt hij heerlijk, en overal is hij welkom.

Een ding vindt hij vreselijk, en daar kan ik me heel goed in vinden: het bezoek aan de hondenweide van het Beatrixpark. Mij doet het enorm herinneren aan mijn twintig jaar wachten op het schoolplein op mijn kinderen, na school. De hondenouders staan op eenzelfde wijze te kletsen. Verschrikkelijk. Rudi komt meestal op schoot zitten bij mij en weert alle honden en hondjes af die aan zijn poeperd willen snuffelen. Ik word onpasselijk van al het gesnuffel van die honden aan poeperd en pieserd. Ook het piesen met opgeheven pootje en dan een snuffelende snuit erbij doet mij erg aan plasseks denken. Ik vind honden vies. En ook dom. Ik heb er niks mee. Dus na een minuut of tien, Rudi is ten slotte een hond en moet verplicht van mij even tussen de honden verkeren vanwege het identiteitsgevoel, vertrekken we. Hij mag snuffelend naar huis. Op naar het volgende reisje.

Thuis schrijft hij zijn eigen verhalen…..

Het monster

Het monster

Gisteravond las ik op teletekst het bericht dat Wim Brands was overleden, een zelfgekozen dood. Wim Brands was iemand naar wie ik niet met veel plezier keek en daarom ontweek ik vaak de programma’s waarin hij verkeerde. Wat meer over mij zegt dan over hem. Maar soms verdraag je iemand niet goed. Hij kon daar niets aan doen, het had te maken met de manier waarop hij sprak en de intonatie van zijn stem, ondersteund door zijn mimiek. Het stond mij tegen. Arme Wim. Eerlijkheidshalve moet ik wel zeggen dat ik afgelopen winter het interview met Karl Ove Knausgard heb bekeken. De tussenshots van Wim nam ik op de koop toe. Het ging mij om Karl Ove, waar ik nu van dichtbij de angst en mensenschuwheid in zijn ogen goed kon zien. Het was een mooi interview.

Wat mij het meest raakte gisteravond was dat het een zelfgekozen dood was omdat hij aan depressie leed. Te meer omdat ik vlak er voor een bericht ontving van een bekende die schreef over de impact die eenzelfde gekozen dood op het gezin had. Gevolg was dat ik de hele nacht, zo lijkt dat altijd, droomde van een man die suïcidaal was. Wij probeerden hem ‘overeind’ te houden door er voor hem te zijn en hem steeds te omarmen. Om hem door deze hele situatie heen te laveren. Ging hij weg, ging er iemand met hem mee. We waren fysiek, door onze woorden met aanrakende armgebaren en geaai te ondersteunen. Om het dode gevoel in hem weer tot leven te wekken. Allen in een ’70-er jaren kamer gezeten, met rieten matten en hakend en breiend. Waar die rekwisieten altijd ineens vandaan komen – in een droom- en de rol er van is altijd een groot vraagteken. En blijft dat (hoewel ik een vermoeden heb).

En toen lag ik wakker, zoals zo vaak, een uur of twee. Dat zijn de momenten waarin er allerlei plannen en dicteermomenten opwellen. En zo kwam ineens de gedachte, de herinnering aan al die mensen die ikzelf ken en die iedereen ook in zijn omgeving kent, die in eenzelfde situatie terechtgekomen zijn. Met een uiteindelijk zelfgekozen dood of zich er aan ontworsteld hebben door gesprekken, groei, omarming. Ook zelf was ik ervaringsdeskundige, zowel als ‘matig depressief’ als levend in de nabijheid van depressieven. Ik kon me er enigszins in verplaatsen. Maar niet helemaal. Ik was wel in een diepe put gezakt, was alle energie kwijt geraakt, apathisch geworden, naar binnen gekeerd en greep op het leven kwijt geruime tijd kwijtgeraakt. Maar de totale radeloosheid die niet eens meer gevoeld werd, de emotieloosheid is misschien een betere omschrijving, de onbereikbaarheid, dát te ontdekken bij de ander, was een beangstigende constatering. Dat iemand die je liefhebt zo ver kan afdrijven is heel griezelig. Maakt je heel bang. Onthandt je, omdat je alles wil doen om weer een zinvol leven voor hem of haar te laten ontstaan. Voor zover je kunt zeggen wat dat behelst. Daarnaast zijn er mensen die alles verbergen en waarvan je helemaal niet weet dat deze persoon in stilte lijdt. De menselijke ziel is onpeilbaar, ondoorgrondelijk. Depressie is een monster, anders kun je het niet omschrijven. Het vreet aan de ziel van de mens, de gevoelige mens. Het is de kanker van de geest.

Ik heb veel naar de foto van Wim Brands gekeken, een filmpje gezien over een net uitgekomen boek over Nederland. Zijn enthousiasme waarmee hij erover vertelt. En als ik eerlijk ben, ik mis hem ineens. Verdrietig dat ook hij ten prooi gevallen is aan het monster.