Karel Eykman en de Thomaskelder

EykmanKarelfotoKarel Eykman

De Thomaskelder

Karel Eykman stond in de krant, van afgelopen zaterdag. De Thomaskerk bestond 50 jaar. In 1966 was hij gevraagd daar te komen om met de jeugd daar aan de slag te gaan, las ik. Maar wat wás die Thomaskelder nu precies?

In 1968 kwam ik er bij toeval terecht, ik meen via een vriendinnetje. Wij waren thuis niet gelovig maar dat was in de Thomaskelder, vast gebouwd aan de kerk, geen probleem. Ieder schaapje was welkom, zo voelde het helemaal. Je werd er opgenomen en er was respect voor iedereen. Ik was veertien en de oudsten waren rond de achttien.                                                                                                   De Thomaskelder was een grote ruimte met een laag plafond waar om die reden dan ook geen alcohol geschonken mocht worden. Aan de zijkant waren twee ruimtes, in de eerste werden in die tijd nog bijbelgesprekken gevoerd, de tweede was het kantoor waar Karel huisde, samen met zijn uit Rotterdam meegenomen secretaresse Francine. Een struise blonde dame met gezag.                                               Karel liep altijd door de kelder met een ietwat gebogen houding, gestoken in een lichtblauw modern spijkerpak, afgewisseld met een donkergroen corduroy. Hij hakkelde soms wat in zijn spraak maar dat werd voornamelijk veroorzaakt omdat hij tegelijkertijd nadacht.

In die zomer van 1968 organiseerde de Thomaskelder een zeilkamp in Gaastmeer, in een boerderij sliepen we in de stallen. Overdag vertrokken we redelijk op tijd naar de de avond ervoor gezamenlijk besproken locatie. Ik kreeg zeil les van de grote jongens. Soms gingen we ’s avonds laat nog ‘even naar Balk’ om in een café een fles Berenburg te kopen. Onderweg een hooibaal meenemend die op het water, in de fik gestoken, als kampvuur dienst deed. Karel was in voor van alles en hield met zijn nog maar 32 jaar de boel goed op orde. Hij was enorm enthousiast, modern, gaf alle ruimte. Karel regelde een Tejaterkamp in Vilsteren waar ik heen kon en waar ik de Rotterdamse tak ontmoette. Hieruit is later nog de Stichting Buitenkunst voortgekomen.

Na die zomer veranderde het publiek. Hoe dat kon weet ik niet maar van overal en nergens kwamen allerlei jongeren die de Thomaskelder bevolkten. Uit Zuid, de Rivierenbuurt, Buitenveldert, uit het Burgerweeshuis aan het Jaagpad en een enkeling uit de Bijlmer, toen net afgebouwd. Een héél bont gezelschap. En van Karel mocht ongeveer alles. Er kwam een beheerder van de platencollectie die een budget kreeg om de collectie uit te breiden, er was iemand die allerlei –psychedelische- feestapparaten-en verlichting in elkaar zette, en mijn vriendin en ik mochten in de eerste kamer, waar geen bijbelgesprekken meer plaatsvonden, een theehuis inrichten, opnieuw in de verf gezet en voorzien van Perzische kleden en allerlei theesoorten, aan de bar te koop voor een kwartje. En het blowen deed zijn intrede. Was dat in eerste instantie nog geen probleem, toen het de kerkenraad ter ore kwam, werd het dat wel. Karel werd steeds gespannener. Er dreigde opheffing, we mochten niet meer binnen blowen, en ook niet in de buurt. Als Karel ons betrapte kregen we een schorsing. Er werd een beetje stoned om gelachen. En Karel had er moeite mee, hij gunde ons onze vrijheid en creativiteit.  Stond onze ouders te woord die kwamen praten over de ‘stepping-stone theorie’. Keurige ouders met belangrijke posities soms.

Een enkele keer mocht ik mee naar zijn huis, waar zijn vrouw en twee kleine kinderen aanwezig waren. Samen met een toenmalige vriend en toekomstig dichter draaiden we Bob Dylan. Wij waren grote fans, en nog. Het voelde allemaal ongelooflijk goed en fijn en vrij en de toekomst lag aan onze voeten.                                                                                                                                                                               Meestal gingen we na sluiting op zondagmiddag, na het koffie-uurtje tussen elf en twee, geloof ik (waarbij wij om de beurt bardienst en corvee hadden en koffie, thee, gevulde koeken en gewone- en paprikachips verkochten), naar het terrein waar nu het WTC staat. Dat was een stratenmakers oefen-terrein. Wij zaten op de dijk, discussieerden, werden verliefd, zoenden, blowden en gingen of naar huis later, of naar het strand of naar het Amsterdamse Bos om te voetballen.

En toen werd het zomer 1969. Er was geen ontkomen meer aan: de Thomaskelder moest dicht. Het was over en uit. Wij smeekten om voortbestaan maar onze smeekbeden werden niet verhoord. Karel moest weg en wij waren ons clubhuis kwijt. En Karel had er alles aan gedaan.

Wij verspreidden ons over de stad, naar Famos in de Vondelstraat, het KAK, het Kreatief Altenrnatief Kafee aan de Johannes Vermeerstraat (een gebouw van een studentenvereniging geloof ik, op de hoek bij het Johannes Vermeerplein, waar later ook nog een vieze sleep-in kwam en je tot diep in de nacht wél alcohol kon drinken en blowen en flipperen). Bezochten de P-cafés. Maar wat het allerbelangrijkste was, onder Karels bezielende en ongelooflijk positieve leiding, Karel die in ons gelóófde, ontstonden vriendschappen voor het leven. Vriendschappen die al bijna vijftig jaar bestaan. In diverse ‘cirkels’ van vriendengroepen zijn wij nog steeds allen met elkaar verbonden. En in mijn geval zijn de kinderen van ons ook weer met elkaar verbonden. Komen wij eens in de zoveel tijd bijeen en voelt alles ongelooflijk vertrouwd voor ons onderling maar ook voor onze kinderen.

Karel heb ik in al die jaren nooit uit het oog verloren. In de afgelopen vijfentwintig jaar, als ik ergens werkzaam was als docent, kon ik hem weleens bereid vinden om mijn leerlingen te verblijden met een gastles. Als vriendendienst. Nog altijd dezelfde Karel.                                                                            Een paar jaar geleden kwam hij op bezoek. Hij wilde weten wát wij nou allemaal precies gedaan hadden in die tijd. Of we inderdaad neukten. Ik moest hem teleurstellen. Het zal wel voorgekomen zijn, zeker, maar ook zeker niet ín de Thomaskelder. Ik denk dat de fantasie van de Kerkenraad een enorme vlucht genomen had. Dat hun eigen fantasie verder ging dan die van ons.

Verleden maand fietste ik over de Koninginneweg en zag op afstand een oude man in tegenovergestelde richting aan komen fietsen. Een beetje onvast. Vond ik. Maar dat ben ik zelf, inmiddels zestig plus ook een beetje. In het voorbij gaan zag ik dat het Karel was. Roepen deed ik uit veiligheidsoverweging maar niet. Gisteren zag ik hem in de krant, op een foto. Nog altijd dezelfde Karel, maar wel een stuk ouder. Ik denk vaak aan hem, dat ik zó blij ben dat ik deze man ooit heb ontmoet. Die hele periode zit in mijn hoofd geëtst.

Overigens is het met het overgrote deel van de bezoekers heel goed gegaan. Heel soms organiseren mijn vrienden en ik een reünie en inmiddels weten we dat deze periode een zeer positieve invloed gehad heeft. Er zijn economen, politici, artsen, advocaten, docenten, ondernemers, restaurateurs, muzikanten enz. enz. uit voortgekomen. Want HIJ geloofde in ons.

 

Link artikel in Het Parool, zaterdag 28 mei 2016 :    http://www.parool.nl/opinie/-karel-van-de-thomaskelder-geloofde-in-ons~a4309936/