‘Tocht naar de Hitlerberg’

Kehlsteinhaus lift

‘ Tocht naar de Hitlerberg’

 

Het was 1984 en ik zat vlak voor mijn afstuderen aan een lerarenopleiding, Nederlands. Ik had besloten om dat te versnellen en moest nu als een haas veertig boeken lezen: Kloos, Van Deyssel, Couperus, Bordewijk, Elschot, van Ostaijen, Slauerhoff, Hermans, Mulisch, Reve enz. enz. Ik had er twee maanden voor maar las met de snelheid van Avi 4 ongeveer.

Het was juli en eigenlijk ook vakantietijd dus besloten mijn man en ik toch even op pad te gaan, voor de ontspanning. Boeken wel mee. We reden richting Beieren en streken neer in een pension annex Metzgerei aan de Duits-Oostenrijkse grens. Schengen bestond nog niet en aan de overzijde van de rivier die Oostenrijk van Duitsland scheidde stond nog een militair, zijn land te beschermen. Het was een mooie omgeving en ik las als ik de tijd had maar we maakten ook uitstapjes naar bijvoorbeeld Salzburg.                                            Eigenlijk hadden we er helemaal niet bij stil gestaan dat dat zo dichtbij was, maar altijd geïnteresseerd in de Tweede Wereldoorlog bleek dat Berchtesgaden dichtbij lag. Dus reden we erheen voor een dagtochtje. We waren getipt dat men het Kehlsteinhaus bezoeken kon, een restaurant hoog bovenop een berg. Men kon er te voet komen of met een bus. Maar men kon niet met de auto zelfstandig omhoog. Dus parkeerden wij op een parkeerplaats en begonnen aan een wandeling van enkele honderden meters de berg opwaarts. Inmiddels hadden wij begrepen dat dit restaurant het Adelaarsnest van Adolf Hitler was. Gebouwd als cadeau voor Hitlers vijftigste verjaardag. Echter, och arme, Hitler verbleef er niet zo vaak vanwege de ijle lucht die hij niet goed verdroeg.

Wij klommen omhoog en genoten van de tocht, de natuur en het uitzicht. Het was prachtig en na enkele uren kwamen wij boven op een bus-parkeerplaats. Wij waren gaan lopen omdat ik geen cent wilde spenderen aan dit project maar op de parkeerplaats gekomen kon men gebruik maken van een lift die via een tunnel te bereiken was. Deze bracht je in enkele seconden ruim 100 meter omhoog. Het was een hele bezienswaardigheid, de lift. Van koper en aan alle zijden kon je jezelf bekijken. Zoals ik later begreep, vanwege Hitlers claustrofobie en paranoia voor aanslagen. We zaten met zijn tweeën in de lift. Bovengekomen was het uitzicht adembenemend. We keken in de diepte op de Königssee. Het Adelaarsnest was een prachtig gebouw met een enorm terras. Maar het gevoel dat erbij loskwam was ook bijzonder ongemakkelijk. Het feit dat er consumpties konden worden genuttigd en men het aanprees als een café vond ik zo bizar. Dit gold toch een besmette plek?! Hoe kon je hier zo aan voorbij gaan en er iets als een horecagelegenheid in vestigen en het als zodanig aanprijzen?

Wij plachten in onze vakanties altijd oorlogsmonumenten te bezoeken en hadden verschillende plekken in Polen, Oostenrijk en later Normandië bezocht. Overal werd de Tweede Wereldoorlog en haar geschiedenis gerespecteerd. Het betrof hier weliswaar geen strijdtoneel maar had wel als achtergrond de plek waar de dingen bekokstoofd werden, om het maar een beetje populistisch te zeggen.

We liepen weer naar beneden, achter een man die in zijn rugzak de toespraken van Hitler door de bergen liet galmen (want dat soort mensen wordt natuurlijk ook aangetrokken). Langs de ruïnes van de gebombardeerde huizen van ‘der Adolf’.

Afgelopen zomer waren wij terug in deze omgeving, in Oostenrijk dit keer. Nu met drie van onze kinderen. We verbleven vlak onder het hartzakje van Duitsland, waar deze Duitse uitstulping mij aan doet denken. Vanwege de historische ontwikkeling van de kinderen leek het ons een goed idee nogmaals dezelfde reis te maken, richting Berchtesgaden, m.n. richting de Obersalzberg. Op pad dus. We parkeerden op een óvervolle parkeerplaats waar alle nationaliteiten verzameld leken. We liepen naar een groot etablissement waar het overvol was en de in dirndl gestoken serveersters met grote bladen bier en hamburgers rondliepen. In de toeristische winkels kon je truien, T-shirts, blouses, bekers, borden, tegels enz. kopen met afbeeldingen van het restaurant op de berg. Lopen en klimmen kon ik het stuk niet meer. Maar nu, dertig jaar ouder, ging ik met de bus omhoog. Een doodenge rit langs diepe afgronden. Er kon alleen éénrichtingsverkeer rijden. Bussen wachtten bij inhammen of uitsparingen op elkaar. Alle bussen zaten óvervol en reden in strak schema. Boven aangekomen leek het wel Euro Disney, waar je in de rij moet wachten om ergens in te kunnen. De hele tunnel tot aan de lift, achterin, stond rijen dik vol. Na een kwartiertje werden wij allen als haringen in een ton opgevangen door een in zichzelf gekeerde liftbediende en stegen in razende vaart ruim honderd meter omhoog. Boven op het –alweer- overvolle terras aten en dronken de gasten dat het een aard had. De bediening, in lederhose en geruite bloes of in dirndl, was van Poolse afkomst (!). De kiosk verkocht ijs en pretzels. De toeristen struikelden over elkaar heen, het terras overlopend op weg naar het hoogste punt van de berg om uit te kijken op de See. Het was bloedheet.

Met stijgende verbazing sloegen wij dit alles gade. Mijn man was inmiddels boven gekomen, uitgeput van de klim, hij wel.

Ook wij dronken wat en begaven ons snel via de lift weer naar de bus. Het was mooi geweest.

Een hele rare ervaring rijker reden wij terug, naar Oostenrijk. Onderweg de trip evaluerend. Wat moesten we hier nou van denken……. Dit bezoek aan de ‘Hitlerberg’ zoals ik het steeds gekscherend genoemd had.

 

 

 

 

Simon : Want zij gelooft in mij

hoogleraren

Simon : ‘Want zij gelooft in mij’

 

Zo luidt de titel van een beroemd lied……. Opgetekend vanuit een prismawoordenboek, zo hebben wij kunnen zien. Hij zou over enkele dagen de pensioengerechtigde leeftijd bereikt hebben, hoewel, die is een beetje opgerekt dus + drie maanden, of zoiets. En daarna AOW. Die André.                                      Maar eigenlijk gaat dit verhaal niet over hem. Het gaat over een andere man, op een jaar na even oud. En nu mijn zoon net dit lied ten gehore bracht herinner ik mij ineens een beeld dat ik nog altijd  op mijn netvlies heb.

Het is vele jaren geleden dat de man van een vriendin van mij, noem hem een vriend (ook al zo’n mooi Hazeslied, het eerste dat ik hoorde en waarbij ik meteen de LP aanschafte, in 1980, maar dit terzijde) zijn inaugurele rede hield. Hij werd hoogleraar en ging les te gaan geven aan een universiteit. Hij werd meester van de aankomende dokters en specialisten in zijn vakgebied.                                                                                                                                                                                                  Wij waren uitgenodigd om plaats te nemen in de betonnen krochten van het universiteitsgebouw waar deze ceremonie plaatsvond. Het was een vrij donker en fantasieloze ruimte, in mijn herinnering.  Spartaans. Ik weet niet eens of er wel banken waren of dat het een onaffe bouw betrof. Grijs en hard en kil.

Op zeker moment kwam onze vriend vergezeld door hoogleraren de ruimte binnen en stak van wal. Het onderwerp betrof een bepaalde kankersoort en werd vrolijk omlijst door grote dia’s. Maar omdat onze vriend een bijzonder mens is, zou hij niet zijn wie hij was zonder het serieuze gedeelte ook af en toe wat te verluchtigen. En zo zagen we een lelijke penis met hoge hoed, maar ook wat familiekiekjes ertussendoor. Ineens verscheen mijn vriendin meer dan levensgroot op de muur afgebeeld, héél hoog boven op een berg met de handen gevuld met berggruis, meen ik. In ieder geval toonde zij haar vuile handen. Bezweet en in klimkleding. Typisch mijn vriendin en een typisch beeld dat weergeeft hoe zij samen het leven delen.

Na enige tijd werd de deur geopend en verscheen de pedel. De hoogleraren stonden op van hun zetel (waarschijnlijk wel met een kussentje) en verlieten in een stoet de ruimte, onze vriend flankerend. Hoge heren (en dames) met fluwelen baretten en toga’s, het had iets middeleeuws. Behalve één ding, door de zaal galmde André Hazes ‘Want zij gelooft in mij’.                                                                                                                                                                                                                                                Ik was ontroerd, trots, op onze vriend, om zoveel respect van mijn vriend voor zijn vrouw, zoveel lef om deze volksmuziek te verheffen naar intellectuele hoogte. Of beter, om het leven misschien te relativeren, verschillen samen te brengen, te verbinden.

Altijd als ik dit lied hoor, piept deze gedachte om een hoekje van mijn geest. Het is zo’n mooi beeld, zo liefdevol.

’s Avonds vierden wij in de bekende Wintertuin een groot feest en samen schilderden wij een winterlandschap, genummerd en wel, met schaatsers, grachtenhuizen, platbodems. Zo werd alles terug gebracht tot normale proporties. Het leven zelf.