Koffiehuis

Muis

Koffiehuis

En zo droomde ik ineens weer dag. Associatief. Ik reed met mijn zoon langs de Kersentuin aan de Apollolaan. Hij vroeg wat dit voor gebouw was, hij vond het zo lelijk. ‘Een hotel,’ sprak ik, ‘waar Joop Braakhekke van Le Garage ooit met spetterend vuur vertrok. Daarna is hij in een oude garage in de Ruysdaelstraat zijn restaurant begonnen.’                                 Mijn zoon vertelde over mensen die er gegeten hadden en hoe hard men er moest werken. Ik vertelde over de straat van ‘toen’ was, waar het hoofdgebouw van de Hema zetelde, waar nu de mensen fysiek gekneed worden. Maar ongeveer naast Le Garage, waar destijds een garage zat toen een koffiehuis zetelde (ik schat op nr. 46).                                                            Met regelmaat gingen we daarheen. Eerst toestemming vragen om de buurt uit te gaan en de drukke straat over te steken en dan op snoepjacht, want in het koffiehuis werd snoep verkocht, vanaf één cent. Alles lag uitgestald onder een soort raamwerk met dik doorzichtig plastic, als deksel van een soort rechthoekige kist van 100x80x25 cm. De snoepvitrine op hoge poten. Voor die ene cent kon je grijze of witte babymuizen krijgen. Een beetje een spekkie-soort. Voor vijf cent kon je een grijze of witte papa- of mamamuis kopen. Een groter formaat dus. Ook stroopsoldaten met papier, waar je eerst met eigen spuug het papier vanaf moest weken. Verder: opgerolde dropveters met in het midden een gekleurd balletje, Kwattarepen, spekkies (roze-gele ruit, zoals ze er nog steeds zijn), ouwelpapier, toverballen en nog veel meer.  Sommige van deze snoepsoorten bestaan nog steeds. Maar wat niet meer bestaat is het koffiehuis.

Als binnentrad kwam je in een sombere, donkere ruimte met allemaal tafeltjes en stoetjes met tapijttafelkleedjes, Perzisch. Er brandde geen licht. Achterin, in een soort keukentje zat een hele dikke vrouw met een schort om en vies grijs vet krullend haar. Ik meen ook nog met een mond met ontbrekende tanden. Soms hees ze zich uit haar stoel en schommelde richting het licht, daar waar de snoepuitstalling stond, bij binnenkomst rechts naast de deur. Soms kwam haar man van achteren, een viezige oude man met gekromde rug en ónaardig, zoals wel meer mensen in die tijd, die zich op kinderen richtten met hun handel. (Op de Albert Cuyp zat een gigantisch dikke man met enorme buik, zittend op een kruk naast een kraam met speelgoed altijd te roepen: ‘Wij hebben álles voor het kind,’ vervolgend, als een kind daarop afkomend iets van speelgoed wilde aanraken: ‘Blijf er met je poten af!’ Waarop het betreffende kind angstig achteruit deinsde. Mijn vader vond dat vooral prachtig en mocht deze situatie graag voordragen.                                                                  Achterin dit koffiehuis zat een grote papegaai op een stok. Soms zat hij in een kooi. Je mocht er wel even naar kijken maar niet te dichtbij komen. Hij kon in je vingers pikken. Vals.

Hoe de avonden er waren weet ik niet, ik was te jong, maar aan het interieur te zien werd er ’s avonds een kaartje gelegd of een schaakspel gespeeld. Of gedamd. Maar of er naast ons bezoek sprake van enig ander bezoek was, om eerlijk te zijn heb ik geen idee. Het was min of meer een soort voorportaal van iets heel treurigs, voor deze mensen.

 

Het zal de ouderdom zijn maar steeds vaker rijd ik door straten waarbij ik passerend aan mijn geestesoog alle vertrokken winkels zie langstrekken. Plaats gemaakt voor woonhuizen of moderne zaken. Het zijn er zo velen. Langzaamaan schuif ik op, net als al mijn voorgangers, ben ik in een stadium gekomen van gemis van wat ooit als vaste waarde leek te bestaan.

 

Hieronder een link naar een onderzoek m.b.t. koffiehuizen en hun ontwikkeling

http://dare.uva.nl/cgi/arno/show.cgi?fid=45301