R.I.P.

R.I.P.

Om drie uur precies parkeerden wij de auto bij de voormalige boerderij en liepen het weiland in waar aan het einde in een hoek een plekje was ingeruimd voor Tibbe. De man met de zwarte jas en zwarte hoed en een sigarenstomp in zijn hand ging ons voor. Op de plek aangekomen haalde hij een dekzeil met twee stokjes weg en keken wij in een piepklein grafje dat keurig was leeggemaakt en bekleed met dik vlasdoek waarvan de uiteinden over de randen heen gedrapeerd waren. In de diepte lag Tibbe, zoals wij hem achterlieten en zoals wij hem kenden. Het was een aandoenlijk gezicht. De andere dochter werd overmand door zoveel eenzaamheid. Ten slotte is zo’n beestje langdurig familielid.

De man in het zwart dekte Tibbe toe met de flappen vlasdoek en sloot het geheel en het was goed. Zo hebben wij afscheid genomen en het vóelde goed. Uiteindelijk toch beter dan de vorige katten die ik bij de destructie achtergelaten had. Het voelde goed en niet sentimenteel in een wereld die steeds geschifter wordt en waar respectloosheid voor het leven in zijn algemeenheid in veler vaandels staat. En nu ligt Tibbe aangeschoven bij een nummer en een letter en niemand weet wie wie is. Terug gegeven aan de natuur in een glad gestreken weiland. Alleen wij weten waar.

(Het in memoriam van Tibbe staat rechtsboven en kun je na aanklikkelezen. Tenzij ik het hieronder op de juiste plek heb kunnen herplaatsen.)

Advertenties

Valentijsdag

Valentijnsdag – Manna Mulder

Het zal denk ik ergens rond groep drie geweest zijn, begin jaren negentig, dat mijn oudste zoon thuis kwam met een glas geblazen paardje. Het moest nog even tot me doordringen vanwaar dit presentje voor mijn zoon, maar na zijn uitleg werd het mij duidelijk; hij had het gekregen voor Valentijnsdag. Van het mooiste meisje van de klas, het poppetje van de school. Het was 14 februari.

Het was een paardje van een centimeter of acht met een bruin ruggetje en beentjes in galop, heel sierlijk en met wuivende manen. De beentjes waren van doorzichtig kleurloos glas. Jarenlang, misschien wel twintig, is het in ons bezit gebleven, tot het op een dag in stukken lag in een doosje en wij het uiteindelijk, na lang bewaard te hebben in deze toestand, met de vuilnisman hebben meegegeven.

Ik vond het aandoenlijk. Dat mijn zoon zo’n mooi paardje gekregen had van een meisje dat blijkbaar, zelfs al op zulke jonge leeftijd, warme gevoelens voor hem koesterde. Het zou een vooruitwijzing worden want tot heden heeft hij die aantrekkingskracht behouden. Zij het niet altijd even succesvol.

Valentijnsdag.

In deze betekenis heeft het voor mij nooit íets betekend. Ik heb stiekem wel eens gedacht die ‘w(R)oest aantrekkelijke’ garagehouder aan de Zeeburgerdijk stiekem een kaart te sturen maar mijn nuchterheid weerhield mij. Bovendien zag hij mij niet staan, als vrouw. Ik was totáál zijn type niet. En bovendien vind ik al dat gedoe met Valentijnsdag maar volkomen flauwekul.

Om eerlijk te zijn vind ik het verschrikkelijk. Ik vind het een opgeblazen, commerciële feestviering. Verzonnen en in het leven geroepen om slagjes uit te slaan en valse hoop te geven aan mensen die verlegen zijn of om andere reden iemand op de hoogte willen stellen van hun aanbidding. Het is een dag, in het leven geroepen voor commercieel gewin. Ineens word je doodgegooid met kaarten, rode aluminium opblaasharten op een steeltje, rozen, weekendjes in hotels. Alles wordt samengebald in die ene dag. Terwijl wij eigenlijk álle dagen onze gevoelens op die manier zouden moeten kunnen en vooral wíllen uiten. Niet dat je elke dag feest hoeft te vieren, dat veroorzaakt ook slijtage. Maar om nou je romantiek op te hangen aan een dag met een vage historie, want ik ben even op onderzoek uit gegaan: er is geen enkele duidelijke aanwijzing voor de invulling van deze dag. Gewoon verzonnen op basis van wat vage overleveringen. Goed voor de economie.

Valentijnsdag, 14 februari, die datum, heeft op zich altijd wel betekenis gehad voor mij, maar in andere zin. Het is de dag dat mijn oom geboren werd, negenennegentig jaar geleden. Hij mocht maar zesentwintig worden, vermoord door de Jap. Aan hem dacht ik altijd op die 14e februari. Of, mijn muis die ik zo genoemd had.

Misschien toch met het gevoel toen dat er een belangrijke boodschap in die naam huisde. Valentijn, de muis dus, woonde op onze schoorsteenmantel in een hoge accubak, van doorzichtig glas. De bak had geen gunstige afmeting voor hem: 30x15x40 (lxbxh) of zoiets. Wat betekende dat ik hem altijd enorm zijn best zag doen omhoog te klimmen maar dat niet kon vanwege het gladde glas. Ik kon hem wel bestuderen, als puber, hangend in een stoel. Hij scharrelde wat rond tussen zijn krantensnippers.

Hij werd een zij

Nog een andere Valentijn waar ik tegenwoordig aan denk is Valentijn de Hingh. Híj werd een zij, Misschien wel de ultieme invulling van Valentijnsdag, de samensmelting van hij en zij.  Kijk, in die zin is 14 februari wel een mooie dag om even bij stil te staan, bij Valentijn. Maar verder heb ik er zelf helemaal niks mee.

Over de auteur:

Manna heet ik, geboren midden jaren vijftig in deze hoofdstad uit een journalist als vader en een verpleegster als moeder. Inmiddels wees. Zelf moeder van een behoorlijk gezin, echtgenote. Ex-leerkracht. Reeds anderhalf jaar blije student aan deze opleiding bij de Schrijversacademie, met gelukkig nog een aantal modules in het verschiet! Schrijven geeft mij rust.

Deze bijdrage stond op 14 februari op de FB site van de Schrijversacademie

Teer

gele stoel

Teer

Het was een mooie zondagochtend toen ik westwaarts de stad in fietste om uiteindelijk met een doorsteek in hartje centrum aan te komen op het adres van mijn gastheer. Wij hadden met een aantal gelijkgestemden een bijeenkomst. Op het balkon stond de heer des huizes op de uitkijk.  Binnengekomen probeerde ik zo onopvallend mogelijk de traptreden naar boven te bestijgen. Onopvallend in de zin van dat ik probeerde mijn inmiddels steeds meer zichtbaar geworden gebrek te verhullen. Het lukte mondjesmaat. Bovengekomen stond midden in de kamer een tafel met een vrolijk geblokt kleedje en een diversiteit aan stoelen en stoeltjes er omheen gerangschikt. Ik overlegde met een van de aanwezigen welke stoel mij het beste dragen kon en koos voor een teer uitziend teak houten stoeltje van een klassiek model. De zitting met brede gele rib bekleed. Hij oogde naast teer toch ook stevig en comfortabel  van zit, wat goed van pas kwam vanwege de storende zenuwstroomstoten die mijn ene been de hele dag, en nacht, begeleidden. Ik nam plaats en stelde vast dat het een goede keuze was geweest.

De gastheer opende de middag met een persoonlijk verhaal dat schrijnend was. De impact was groot, zoveel was duidelijk. En vooral ook heel begrijpelijk. Invoelbaar zelfs. Wat heet: herkenbaar. Ook ik had me inmiddels zoveel als mogelijk terug getrokken uit het -sociale – leven. Na een aantal ervaringen die mijn leven getekend hadden. Geen enkele behoefte meer aan vertrut gebabbel en nieuwe contacten. En zeker geen zin meer in façades. Alleen behoefte aan lotgenotencontact in de breedste zin, dus op gedeelde vlakken. Mensenmenigten schuwend. Wég met het onechte, we gaan voor het ‘eggie’.

Op zeker moment probeerde ik mijn rug te rechten, iets wat soms gebeuren moet, zowel letterlijk als figuurlijk. Ook om de zenuwen weer even de kans te geven zich te ontworstelen aan hun klem, en te ontspannen, zo dat al mogelijk is. Op datzelfde moment hoorde ik keihard ‘krak’, en niet alleen ík hoorde dat. Het was een scheurend, barstend, knáppend geluid dat de gezichten deed verstrakken. Niet in het laatste geval het mijne. Terwijl de eerste reflex een gevoel van absurditeit opriep, overviel mij direct ook schaamte. Als ik al gedacht had mijn corpulentie (voorbij) te verhullen, dan was dit het moment geweest dat die gedachte direct opgeheven werd. Dat mijn omvang niet met lucht gevuld was, werd met veel gekraak duidelijk. Ik dacht aan het omgekeerde van het woord teer, zoals het stoeltje was, dat op zich een kier betekende maar in de volksmond meer duidde op een dik achterwerk, of: een poefkont, zoals mijn dochters dat noemde.

Mocht ik ooit gedacht hebben met mijn ogen mensen te kunnen gijzelen en af te leiden, nu waren aller ogen gericht op Kwatta, in haar volle omvang. De volgende gedachte die razendsnel in mij op kwam was er een die ik tegelijkertijd uitsprak: ‘Is deze stoel ook uit het huis van je moeder afkomstig?’  Het feit dat die vraag met ‘Ja’ werd beantwoord gaf mij een groot gevoel van schuld. Niet alleen had ik een stoel doen kraken, hoewel ik er niet doorheen zakte, het was ook nog eens de stoel uit zijn ouderlijk huis. Ik werd terstond zo verdrietig dat álle verdriet van welke aard ook zich in mij samenbalde en er geen ontkomen meer aan was: tranen drongen zich op. Het was niet eens meer helemaal herleidbaar want het gevoel werd te groot, maar op de voorgrond stond mijn vernielzucht van zíjn stoel. Dit was het resultaat van jarenlange verwaarlozing, ophoping, eigen schuld met als resultaat dus ‘dikke bult’. Krak. Het echode nog na. Ondanks dat de gastheer mij bezwoer dat het geen enkel probleem was. Niet dat hij mij aanbood ook zijn andere stoelen uit te proberen. Maar toch. ‘Het geeft niet, het is materie,’ waren zijn troostende woorden, terwijl mij een zakdoek geboden werd. Ik sloeg hem af, vermande mij en wilde niet in een tranendal verdrinken.   Gelukkig bracht de middag nog meer vrolijkheid, en na vele uren, waarbij ik de gastheer ook ten afscheid kuste -hoewel ik hem maar zeer kort kende en dat eigenlijk misschien wel zeer ongepast was na deze vandalistische daad-  vertrok ik in de aanzwellende regen naar huis. Met mooie herinneringen en gemengde gevoelens.