Sanatorium (Deel 2 Vakantiepret)

Sanatorium (Deel  2  van vakantiepret)

(Het is meer een kort verhaal geworden dan een eenvoudige blog…..)

Al jaren wilde ik weer eens naar het –voormalig- Oostblok. Ik heb altijd sterk het gevoel gehad dat ik mij daar op mijn plek voelde. Ik denk dat dat kwam omdat er een soort van basisgevoel is wat me aanspreekt. Het is niet allemaal zo opgeschroefd als in het  ‘Westblok’.  Het lijkt allemaal veel natuurlijker daar. Gewoon, niet eens ‘doe maar gewoon’, maar men is gewoon. Niet al die malle bombarie van hier om op te vallen. Zo massaal dat het weer standaard is geworden maar daardoor –voor mij vaak-  irritant. Misschien spreekt het me ook aan omdat de zwaarmoedigheid daar me aanspreekt.

Maar goed, ik kon mijn kinderen zo ver krijgen om er heen te gaan, vanwege die paarden natuurlijk, en ging thuis aan het puzzelen hoe de vakantie verder op te vullen. Iedereen had het druk en ik ook, achter de computer, zoekend. Bij elk voorstel hoorde ik óf niks of ‘ja, dat is goed.’ En dus boekte ik een aantal overnachtingen in een sanatorium in Zuid Polen. Dat leek me wel wat. Het zag er op de site vrij oud uit dus ik beeldde me van alles in. Dat de werkelijkheid iets anders zou zijn, wist ik toen nog niet.

Na de paarden en een tussenstop in Noord Tsjechië kwamen we aan bij het Sanatorium. Het bleek een spiksplinternieuw gebouw dat zelfs nog niet eens af was. Ons uitzicht was groen, maar ook een vrachtwagen wachtend in een bouwput. ’s Avonds zwermden er drommen zwaluwen langs het raam die vervolgens als één zwaluw onder een dak verdwenen. De kamers waren nieuw, alles glom. Bij aankomst op de gang hadden wij twee sleutels voor de twee kamers, ik ging in de ene kamer en de drie kinderen schielijk in de andere kamer. Ze voelden de bui al hangen: één van hen zou bij mij moeten  komen. In mijn vuistje lachend wat zich achter de tussenmuur afspeelde wachtte ik af wie de gelukkige zou worden. Mijn zoon kwam binnen, arme jongen, wéér met zijn moeder op een kamer. Ze hadden getost…

Bij de receptie hadden wij het een en ander geïnformeerd. De receptioniste was een dame van een jaar of vijftig in een hotpants en met een strak bloesje aan. Daar was hoofdzakelijk haar energie in gegaan, een buitenlandse taal sprak zij nauwelijks en doeltreffende informatie kon zij ook niet echt geven. Wel konden we het pakketje uitbreiden met een avondmaaltijd. Ontbijt zat er al bij in. Het was een uur of vier en wij konden vanaf halfzes in de eetzaal beneden mee-eten, tot halfzeven. Daartoe kregen wij een wit polsbandje. Om onze hals hingen we de ketting met de sleutel van onze kluis, onze slaapkamer. In de tussenliggende tijd besloten we van de ‘natte hoek’ gebruik te  maken. We daalden met de lift van de vierde verdieping naar de kelder en gingen naar het zwembad. Het was stil, deze zaterdagmiddag.  We stapten in een ondergronds zwembad dat een plastic bekleding had, niet hard maar zacht plastic. Het was hier en daar een beetje opgekropen. Maar het was lekker warm water, de sfeer was spannend want het was donker. Alleen het bubbelbad gaf verlichting en van boven kwam wat verlichting uit de glazen vloer van de parterre.  De sauna werkte pas vanaf zes uur.  We bubbelden wat, zwommen wat het waterpeil was diep genoeg, zoals de zwarte vetrand langs de badrand aangaf.

Na het zwemmen stegen we weer op naar de vierde, kleedden ons om en wilden plaats nemen in de eetzaal beneden. Het was tien voor half zes en er zaten veel mensen te eten. Aan de obers vroegen we of we al kónden plaatsnemen. Op een briefje werd geschreven: 17:30. Mens sprak geen andere taal en wij besloten te wachten. Duidelijk was dat deze maaltijd voor anderen was. Iedereen zat met smaak te eten in de klassiek ingerichte eetzaal. Op alle tafels stonden schalen met aardappel en geraspte wortel. Blijkbaar was dit een andere groep dan de gewone logé. Misschien een busreisgezelschap.

Om halfzes betraden wij de eetzaal en mochten zitten waar wij wilden. Er was een wisseling van buffet geweest en er stond nu op een centrale plek een overvloed aan dienbladen en schalen in warmhoud bakken.  Warm vlees, pasta’s aardappelen gekookt, ondefinieerbare sauzen, soepen, allerlei soorten salade, fèta, biber, tomaten, slablaadjes, boontjes, bietjes  enzovoorts enzovoorts.  Langs de kant stonden borden en bestekbakken. Het was een drukte van belang rond de centrale tafel.  Mensen waren gefixeerd op hun bord en hielden geen rekening met een naburige persoon. Men duwde de ander nog net niet weg maar dat was dan ook het enige. Met hoog opgetaste borden liep men af en aan. Heen en weer. De schaal met cake slonk zienderogen maar de obers vulden alles met spoed aan. Wij aten en waren afgeleid door zoveel indrukken. Evalueerden ter plekke wat tot grote hilariteit leidde. Bij ons dan. Zo zagen wij een vrouw die zo dik was dat zij rechtstandig moest gaan zitten om vervolgens haar tafelgenoten opdracht te geven extra cake te halen, eigenlijk in te slaan. De dagen erna gebeurde hetzelfde met deze personen. Maar nu met borden watermeloen of abrikozen. Er werd geen rekening mee gehouden dat anderen misschien ook een abrikoos wilde hebben, nee, voor de eigen club werden er (voor vier personen) twintig, dertig abrikozen ingeslagen. En deze avond werd bij vertrek nog even gestopt bij de cakeschaal. In een servet werden nog een stuk of wat stukken cake ingepakt. Misschien wel tien. De onbeschaamdheid  was groot en voor ons lachwekkend. Ik kreeg het gevoel in een film te figureren. Waren hier de dikke dames bezig, waar niet trouwens, even verderop zag ik een bejaarde versie van ons zangkoortje. Poolse of Russische vrouwen waarvan er overduidelijk één iets te vieren had.  Een jarige.  Er werd in een soort krom Duits gezongen. Alles vastgelegd door de actiefste van het  gemiddeld vijfenzeventigjarge gezelschap.

We waren klaar en de ober kwam vragen of we konden afrekenen. Ik zei hem dat we halfpension hadden. Hij verstond het niet en ging naar achteren om te bellen, wij zagen hem druk gesticulerend achter het raampje van de keukendeur. Totaal verzenuwd kwam hij na enige tijd terug. Hij was in de war want wij hadden een verkeerde kleur bandje om. Het was wit maar moest zwart zijn, dat gaf halfpension aan. Wit was alleen ontbijt. De witte moesten ingeleverd en er kwam een mooie zwarte voor terug. Ondertussen werd een nieuw buffet binnengerold. Het was halfzeven en tijd voor de volgende ronde, mensen met een blauw bandje. Stukken makreel, honderden worstjes en worsten, brood en pasta’s werden binnengedragen. Overmand door de aanblik van zoveel eten taaiden wij af. Slap geworden van het lachen en het eten. We zouden nog even naar de sauna gaan, als het eten gezakt was.

Om een uur of halfnegen gingen we wederom met de lift naar beneden, naar de sauna. Daar was een bedrijvigheid van dikke en oude mensen. Er waren twee sauna’s een enorme stoomcabine en natuurlijk weer het bubbelbad en het morsige maar wel lekkere zwembad. Wij kozen voor het stoomhok. Men kon geen hand voor ogen zien. Daarna gingen we de sauna in. Het was er druk. In de hoek zat een vrouw met stalen tanden. Bijna tachtig was ze en vertelde brutale verhalen. Maar onschuldig. Ze had haar leven als Duitse doorgebracht in Kazachstan en wonde sinds die Wende in het oosten van Duitsland. Om af te koelen zat ze af en toe even buiten tussen een aantal oude mannen en babbelde in het Russisch. Ze wilde van alles van ons weten, kwam bij ons in het zwembad en de volgende ochtend scheen ze ons niet meer te herkennen, hetgeen wij nogal apart vonden. Zij liep langs ons met haar korte roodgeverfde haar en haar tanden schitterden, ze keek ons aan maar zei niets.

Die ochtend werd ons een dame gewaar die wij nog niet eerder gezien hadden. Een vrouw met een breedte van zo’n één meter vijfentwintig, een lengte van één meter zestig. Een doorsnede van zo’n één meter vijftig. Wat het eerste opviel was dat haar enkels zo dik waren dat haar hielen als hoefjes ertussen stonden. Het vette vlees eromheen gedrapeerd. Haar voetjes staken in rubberen slippers met er bovenop een bloem, een margriet. Om de bandjes heen puilde het vlees van haar wreef. Zij schepte en schepte van de schalen met worsten en worstjes, eiersalade, plakken worst, ham en kaas, kwark, zoute augurken, tomaat, biber (alweer) en fèta. En wat al niet meer. Met twee borden schoof zij naar haar tafel. Daar werkte ze de hoeveelheden naar binnen om even later nógmaals langs te trekken. En hoewel ik zelf ook bepaald tot de dikkerds behoor, werd zij mijn angstbeeld.  Zeker toen ik op de dag van vertrek zag dat zij zowel bozig als uitdagend keek. Haar dikte legitimerend.

Maandags konden we eindelijk proberen om ons te laten verwennen. Hoewel de receptioniste niet goed had kunnen uitleggen hoe alles in zijn werk ging, wisten wij dat er allerlei mogelijkheden waren tot ontspanning. Er waren modderbaden, chocolademassages, honing massages, pedicures enz. Ons was verteld dat, wilden wij in aanmerking komen voor een behandeling, wij maandag vanaf acht uur beneden in de gang bij het zwembad ons konden melden. Dat deden wij. En wat troffen wij daar aan? De kinderen hadden al allerlei mensen met papieren in mapjes door het hotel zien trekken en er was op onze verdieping ook wel een Radon-art en een psycholoog, er was ook lymfe dreinage, elektrotherapie en andere gekkigheid, maar beneden in de gang lopend zagen wij allemaal deuren van kamertjes open waarachter mensen bijvoorbeeld boven bakken zaten te ‘inhaleren’.  Wij wilden informatie hebben over de massages en de pedicure. De laatste was er niet en de massages werden door Paula gedaan. Op mijn vraag wie Paula was, was het antwoord dat zij op de vierde werkte met Heilgymnastiek. Hoe Paula er dan uit zag, hoe oud ze was. In gebrekkig Duits kwamen wij stapje voor stapje dichter bij de ontknoping maar haakten uiteindelijk af. Het was allemaal te druk. Het zag er ook engig uit. Wie gaf de garantie dat het er niet spookte. Wie zegt dat het echte artsen waren, in dit sanatorium. Waar ooit op enkele tientallen kilometers verderop ook allerlei geëxperimenteer plaatsgevonden had, in een ander tijdsgewricht. We gingen wandelen.

De kinderen vonden het allemaal vreselijk om aan te zien. Ik kreeg een beetje Fellini-gevoel. Kon mijn ogen niet afhouden van hetgeen aan mij voorbij trok. Prachtig, ik genoot. Tot dag vier, toen we vertrokken naar een volgend Pools resort. Daar werd de schrik nog groter omdat het Valkenburg in Polen bleek te zijn. De hotelkamer een martelkamer, zo slecht waren de bedden, in de ontbijtzaal klonk om negen uur ’s ochtends keiharde house. De aanblik van de schranspartijen trokken wij ook niet meer. We regelden dat we eerder konden vertrekken en met gierende banden keerden we na twee nachten gebroken westwaarts. Richting Dresden.

Nee, de kinderen had dit allemaal niet bekoord, met name Polen niet. De Tsjechen kwamen er beter vanaf. De tijd had stil gestaan, tot mijn genoegen. Maar niet tot dat van de kinderen. De paardenboerderij was en bleef het hoogtepunt. Daar komen we dan nog  weer voor terug.

 

 

 

Advertenties

Vakantiepret 1

Tsjechie 2017

Met excuses voor de eeuwig krukkige layout 

Vakantiepret 1

Na maanden van zoeken op het internet, en overleg waar de vakantie ons zou brengen, besloten we naar Tsjechië te gaan. Vader wilde liever thuisblijven (het idee het Rijk voor zich alleen te hebben, ongestoord door vrouw en kinderen, gaf hem al een vakantiegevoel). Oudste zoon, Onzo, was net met vriendin twee weken door Polen op pad geweest.

Het gezelschap zou bestaan uit Odé, oudste dochter, Jodé, jongste dochter en Enzo, jongste zoon. En natuurlijk Rudi, de hond van Odé, die overal mee naar toe gaat. Maakt niet uit waarheen en met welk vervoersmiddel.  En ikzelf uiteraard: reisleidster en organisator.                                                                                                                                           ’s Ochtends was het wachten op Enzo die nog een tentamen moest doen. Daarna vertrokken we richting Franz, onze eerste vaste stop. Na de overnachting koersten wij Tsjechiëwaarts. Richting vriendin Jirina die ik éénenveertig jaar geleden ontmoette in een postkantoor in Praag. Ik reisde toen voor de derde maal alleen met een Interrailkaart, werd meteen in haar familie opgenomen en sliep al dezelfde avond met oma en zus op de slaapkamer.                                                                                              Vriendin Jirina is een verhaal apart maar soms zijn verhalen te intiem om op te schrijven. Zoveel kan er in een mensenleven plaatsvinden.                                                                                                              De laatste keer dat wij er waren, was in 1991, toen nog met de oudste twee kinderen. Het was een mooie zomer en alles was nog koek en ei in ieders leven.                                                                                                                                         In de stromende regen, nu, kwamen wij bij het huisje aan, dat door allerlei omstandigheden en door de tand des tijds enorm was aangevreten. Maar het uitzicht op het meer bleef beeldschoon. ‘Spartaans’, had Jirina gezegd. En dat was het. Onderweg hadden we nog een sms ontvangen met de mededeling dat als we nog naar het toilet moesten we dat op het dorpsplein konden doen, de wc’s zouden wel om 19uur sluiten. We waren te laat en dus moesten we het doen met een volle septic en niet doortrekken. ‘Grote boodschappen’ moesten dus in het dorp gebeuren. Wij stelden onze geesten in op lange termijn en hoopten dat ons lichaam zich daar bij zou aansluiten. ’s Avonds stapten wij óp een brits, er in zou teveel duiden op een zachte landing. De nachten voldeden aan de omschrijving; spartaans.                                                                                                             Er was één waterpunt in huis waar eigenlijk een brandslang aangekoppeld diende te worden en met goede afstemming konden we er wat water uit tappen voor bewassing en tandenpoetsen. Elektra liep met draden en stekkerblokken door het huis. Het maakte allemaal niet uit en het was erg fijn elkaar weer te zien. De vriendschap was hecht en hield al jaren stand door middel van sporadische brieven, sms of een enkel telefoongesprek. In de tussenliggende jaren hadden wij elkaar drie of vier keer bezocht, denk ik. Nu spraken we veel en voelden elkaars bijzijn. We waren oud geworden en getekend door het leven.                                                                                         Zaterdagochtend vertrokken wij, onder dwang van de loop der natuur. Na een kort bezoek aan een koffietentje, reden wij richting paardenboerderij waar wij na ruim een uur slingeren door het enigszins kale landschap aankwamen. Het was niet ver verwijderd van Jirina’s huisje. Zo’n vijftig kilometer. Het was hét doel van onze vakantie en alles hadden we er om heen gepland, er was maar één week tot onze beschikking, de rest zat vol.                                                                                                                                         Als een parel stak het af tegen de huizen in de omgeving. De ontvangst was hartelijk. De kinderen kregen een rondleiding en ik haakte om fysieke redenen af ter hoogte van ons appartement dat wij die komende week zouden gaan betrekken.                                Opgetogen kwamen zij terug met een handgebaar dat weergaf dat ik een enorme goede keuze had gemaakt, uit alle bezochte websites. En de baas was ook een schot in de roos. De vrolijkheid zelve en openhartig.                                                                                              Wij nestelden ons in het appartement en Rudi kon volop aan lichaamsbeweging doen in de, ik vermoed zo’n vijftien meter, lange gang.

De eerste ochtend met rijlessen brak aan. Aan vrienden had ik gezegd dat de kinderen op ‘ponykamp’ gingen. Dat gaf een beetje de stemming weer; moeder met de kinderen op pad. En dat was ook precies de verwarring bij de medegasten: ‘Wat zijn jullie van elkaar?’ Het was de weerkerende vraag die wij zo’n vijf keer moesten beantwoorden. Het maakte ons ook nieuwsgierig wat er dan zo bijzonder was aan ons. Men kon de combinatie niet plaatsen: Zijn het familieleden? Is het een oma met kleinkinderen…. Vrienden? Een tante? Het schiep verwarring. Ook bij ons, wij wisten niet beter dan dat het vanzelfsprekend was: moeder en kinderen. Ja, oké, volwassen kinderen, maar waarom niet. Het feit dat Man/Vader ontbrak bleek het probleem. De mens is een kuddedier, de familie de hoeksteen van de samenleving. Tegenwoordig is alles wel te plaatsen, twee moeders met kinderen, twee vaders met kinderen, al dan niet gedragen door wildvreemden, maar een moeder met eigen leg is wel heel verwarrend… blijkbaar.                                                                                                                                                Grappig.

De paardrijlessen waren een succes. Zo zag ik de eerste ochtend. Met Rudi aan de lijn, want Rudi heeft een paardenfobie en blaft als hij al op grote afstand onderweg ergens paarden vermoedt, nam ik plaats op een bankje. Uitgeput van het kleine hellende weggetje erheen. Ik aanschouwde langs de zijlijn een enorm blije dame in de paardenbak, met onder een grote hoed een brede glimlach, die vol overgave les gaf aan wie maar wilde. Op afspraak, dat wel. Relaxed liep zij tussen de beginnelingen en gevorderden door. Van de vroege ochtend tot de late avond, zou later blijken. In de omliggende weiden renden de paarden vrij rond. Na elke les werden er andere paarden gehaald en opgetuigd. De lespaarden werden door de berijders afgetuigd en naar de weiden gebracht. Het was één en al vrijheid.

Sadek 2

Een week lang lesten de kinderen, elke dag, en langzaam aan kregen ze een beetje onder de knie wat paardrijden inhield. Zelfs een buitenrit werd gemaakt. De tijd er omheen vulden we met wandelen (zij), winkelen in de jaren ’50, rondrijden  (ik). En heel langzaam kwam de rust in de hoofden waar lang naar gesmacht was. We kookten wat in de mooie keuken voor de gasten, aten een gezamenlijk maal met de andere 30 gasten, ook al bereid door de Paardenkoningin, met hulp van haar moeder (die de taarten voor haar rekening nam) en de stagiaire. Het was allemaal heerlijk. Net als de, door de Paardenkoning, met zorg gemaakte ontbijtjes elke ochtend. ’s Avonds badmintonden de kinderen tussen de Hortensia’s op de binnenplaats. Eén en al vreugde en ontspanning. En dat was welkom, na dit intensieve jaar.

De zaterdag er op kon er nog een buitenrit tussen gepland worden en rond het middaguur vertrokken we, met direct al weemoed, naar onze nieuwe bestemming.                                                                                                                             Richting Polen, naar het Sanatorium. Zie volgende column.

 

En voor wie interesse heeft: https://www.deoudewatermolen.nl/

 

 

 

Dikke vette loser

 

BillenDikke vette loser

  • Deze column verscheen eind juni maar is om bijzondere reden even op reis geweest. Nu terug.

Ik moet het even kwijt. Ik móet het even delen. De vraag rondom mij was: wanneer komt er weer een stukje? En ik antwoordde: Nu even niet; stilstand. Maar daar is verandering in gekomen en ik maak er maar meteen gebruik van.

Heus, ik ben me wel bewust van de toon van de stukjes soms. Een klaagzang. Maar is er soms dan ook reden tot juichen? Misschien. Maar vandaag even niet. Ja, het is mooi weer, het ruikt lekker, daar waar weinig verkeer in de stad is. En als je de drukte weg kunt denken en de ‘Amsterdamse pit’ (lees asociaal gedrag, egocentrisme, kapsones, boersigheid) dan is de stad ook te pruimen, hier en daar zelfs mooi.                                                                                                                                                            En zo reed ik naar het ***ziekenhuis. Ik had een afspraak gemaakt met de afdeling Bariatrie, je weet wel, daar waar ze je maag kunnen omleiden.                                                                                                    Na wat gepuzzel om op de juiste verdieping te komen bevond ik mij te midden van soortgenoten, of lotgenoten zo je wil. De Dikke Mens. De Fatfighters, zij die het niet redden en gebukt gaan onder het spek dat zij met zich meedragen. Krom lopen onder hun gewicht. En natuurlijk denk je, rondkijkend, dat ze allemaal dom zijn, geen inhoud hebben dan alleen vet. Wil je er niet bij horen en niet met ze geafficheerd worden. Ook destijds niet, na die toch enigszins mislukte poging in die dikke mensen- groep. Toen ik voor het eerst erachter aan liep en dacht, bij iedere stap die gezet werd: boem, boem, boem. Je zag in gedachten de grond trillen. Je zag de mensen in de kantoorkamers aan weerszijden van de gang, zich geschrokken terugtrekkend als na de pauze (met eet-therapie; mindfull eten) de kudde zich in beweging zette, van de ene brede stoel naar de andere brede stoel. Van de eetzaal naar de therapieruimte. En soms trof men elkaar op het toilet, de dikkerd en de niet dikkerd en voelde je de minachting. Maar natuurlijk, die voel ik ook naar die dikkerd, maar tegelijk heb ik geen recht van spreken want ik bén die dikzak. Die dikke vette loser. Die het maar niet gelukt is er zelf iets aan te doen. Ondanks alle trucs en tips en pogingen. Hopeloos mislukt daarin. Tors, tors, sjok, sjok, zo kraken de stukken kraakbeen tussen de gewrichten. Als er überhaupt nog kraakbeen zit.                                          Vandaag heb ik me vermand en een eerste gesprek met een chirurg van de afdeling Bariatrie. Ze is aan het promoveren en heeft erge haast maar werkt zorgvuldig. En daarom moet ik ook niet zeuren. Het voelt niet goed,  die haast, ook al kan zij er niets aan doen. Maar het is ook niet netjes, al doet ze haar best. Het is het gevoel dat ík een hele belangrijke stap zet en dat de werkdruk dáár te groot is. Dat voelt niet zo goed. Ondertussen heb ik nog tijd genoeg dus moet niet zeuren.                                                     Als ik gewogen en mijn lengte en buikomvang is gemeten, mijn buik bevoeld, en ik gewezen ben op de risico’s, kan ik met een heel informatiepakket vertrekken. Eerst langs de balie waar ik ook snel alle overige uitleg krijg. Ze lijken echt een beetje teveel onder druk staan.  Maar alles is wel goed voorbereid. Ik krijg een lijst mee met data voor terugkerende afspraken bij verschillende disciplines.                                       Op de weg naar de uitgang bezoek ik nog even een toilet dat de geur van een DIXI heeft. Ook dat belooft niet veel goeds. Ze zullen toch wel hygiënisch werken hier? Waar is de uitgang? Ik loop rondjes in de kernhal, gangetje in, gangetje uit, weer in de kernhal. Maar uiteindelijk kom ik bij de juiste uitgang en begeef me naar mijn fiets. Ik open de sloten en trap weer fruitig door de warme middag huiswaarts. Onderweg voel ik een enorme grauwsluier over mij heen vallen. De depressie overvalt me. Mijn humeur zakt met elke trapbeurt. Ik kan het eerst niet plaatsen en daarom overvalt het me ook. Jezus, wat is dit confronterend, ja, dat zal de reden moeten zijn. Maar verder denkend  word ik heel verdrietig van de weg die geleid heeft naar deze toestand.  Deze zwaartekracht die zich meester gemaakt heeft van mij. Letterlijk en figuurlijk. Dikke vette loser.                                                                                                       Nu maar hopen dat dit stukje oplucht. Verlicht.

R.I.P.

R.I.P.

Om drie uur precies parkeerden wij de auto bij de voormalige boerderij en liepen het weiland in waar aan het einde in een hoek een plekje was ingeruimd voor Tibbe. De man met de zwarte jas en zwarte hoed en een sigarenstomp in zijn hand ging ons voor. Op de plek aangekomen haalde hij een dekzeil met twee stokjes weg en keken wij in een piepklein grafje dat keurig was leeggemaakt en bekleed met dik vlasdoek waarvan de uiteinden over de randen heen gedrapeerd waren. In de diepte lag Tibbe, zoals wij hem achterlieten en zoals wij hem kenden. Het was een aandoenlijk gezicht. De andere dochter werd overmand door zoveel eenzaamheid. Ten slotte is zo’n beestje langdurig familielid.

De man in het zwart dekte Tibbe toe met de flappen vlasdoek en sloot het geheel en het was goed. Zo hebben wij afscheid genomen en het vóelde goed. Uiteindelijk toch beter dan de vorige katten die ik bij de destructie achtergelaten had. Het voelde goed en niet sentimenteel in een wereld die steeds geschifter wordt en waar respectloosheid voor het leven in zijn algemeenheid in veler vaandels staat. En nu ligt Tibbe aangeschoven bij een nummer en een letter en niemand weet wie wie is. Terug gegeven aan de natuur in een glad gestreken weiland. Alleen wij weten waar.

(Het in memoriam van Tibbe staat rechtsboven en kun je na aanklikkelezen. Tenzij ik het hieronder op de juiste plek heb kunnen herplaatsen.)

Valentijsdag

Valentijnsdag – Manna Mulder

Het zal denk ik ergens rond groep drie geweest zijn, begin jaren negentig, dat mijn oudste zoon thuis kwam met een glas geblazen paardje. Het moest nog even tot me doordringen vanwaar dit presentje voor mijn zoon, maar na zijn uitleg werd het mij duidelijk; hij had het gekregen voor Valentijnsdag. Van het mooiste meisje van de klas, het poppetje van de school. Het was 14 februari.

Het was een paardje van een centimeter of acht met een bruin ruggetje en beentjes in galop, heel sierlijk en met wuivende manen. De beentjes waren van doorzichtig kleurloos glas. Jarenlang, misschien wel twintig, is het in ons bezit gebleven, tot het op een dag in stukken lag in een doosje en wij het uiteindelijk, na lang bewaard te hebben in deze toestand, met de vuilnisman hebben meegegeven.

Ik vond het aandoenlijk. Dat mijn zoon zo’n mooi paardje gekregen had van een meisje dat blijkbaar, zelfs al op zulke jonge leeftijd, warme gevoelens voor hem koesterde. Het zou een vooruitwijzing worden want tot heden heeft hij die aantrekkingskracht behouden. Zij het niet altijd even succesvol.

Valentijnsdag.

In deze betekenis heeft het voor mij nooit íets betekend. Ik heb stiekem wel eens gedacht die ‘w(R)oest aantrekkelijke’ garagehouder aan de Zeeburgerdijk stiekem een kaart te sturen maar mijn nuchterheid weerhield mij. Bovendien zag hij mij niet staan, als vrouw. Ik was totáál zijn type niet. En bovendien vind ik al dat gedoe met Valentijnsdag maar volkomen flauwekul.

Om eerlijk te zijn vind ik het verschrikkelijk. Ik vind het een opgeblazen, commerciële feestviering. Verzonnen en in het leven geroepen om slagjes uit te slaan en valse hoop te geven aan mensen die verlegen zijn of om andere reden iemand op de hoogte willen stellen van hun aanbidding. Het is een dag, in het leven geroepen voor commercieel gewin. Ineens word je doodgegooid met kaarten, rode aluminium opblaasharten op een steeltje, rozen, weekendjes in hotels. Alles wordt samengebald in die ene dag. Terwijl wij eigenlijk álle dagen onze gevoelens op die manier zouden moeten kunnen en vooral wíllen uiten. Niet dat je elke dag feest hoeft te vieren, dat veroorzaakt ook slijtage. Maar om nou je romantiek op te hangen aan een dag met een vage historie, want ik ben even op onderzoek uit gegaan: er is geen enkele duidelijke aanwijzing voor de invulling van deze dag. Gewoon verzonnen op basis van wat vage overleveringen. Goed voor de economie.

Valentijnsdag, 14 februari, die datum, heeft op zich altijd wel betekenis gehad voor mij, maar in andere zin. Het is de dag dat mijn oom geboren werd, negenennegentig jaar geleden. Hij mocht maar zesentwintig worden, vermoord door de Jap. Aan hem dacht ik altijd op die 14e februari. Of, mijn muis die ik zo genoemd had.

Misschien toch met het gevoel toen dat er een belangrijke boodschap in die naam huisde. Valentijn, de muis dus, woonde op onze schoorsteenmantel in een hoge accubak, van doorzichtig glas. De bak had geen gunstige afmeting voor hem: 30x15x40 (lxbxh) of zoiets. Wat betekende dat ik hem altijd enorm zijn best zag doen omhoog te klimmen maar dat niet kon vanwege het gladde glas. Ik kon hem wel bestuderen, als puber, hangend in een stoel. Hij scharrelde wat rond tussen zijn krantensnippers.

Hij werd een zij

Nog een andere Valentijn waar ik tegenwoordig aan denk is Valentijn de Hingh. Híj werd een zij, Misschien wel de ultieme invulling van Valentijnsdag, de samensmelting van hij en zij.  Kijk, in die zin is 14 februari wel een mooie dag om even bij stil te staan, bij Valentijn. Maar verder heb ik er zelf helemaal niks mee.

Over de auteur:

Manna heet ik, geboren midden jaren vijftig in deze hoofdstad uit een journalist als vader en een verpleegster als moeder. Inmiddels wees. Zelf moeder van een behoorlijk gezin, echtgenote. Ex-leerkracht. Reeds anderhalf jaar blije student aan deze opleiding bij de Schrijversacademie, met gelukkig nog een aantal modules in het verschiet! Schrijven geeft mij rust.

Deze bijdrage stond op 14 februari op de FB site van de Schrijversacademie

Teer

gele stoel

Teer

Het was een mooie zondagochtend toen ik westwaarts de stad in fietste om uiteindelijk met een doorsteek in hartje centrum aan te komen op het adres van mijn gastheer. Wij hadden met een aantal gelijkgestemden een bijeenkomst. Op het balkon stond de heer des huizes op de uitkijk.  Binnengekomen probeerde ik zo onopvallend mogelijk de traptreden naar boven te bestijgen. Onopvallend in de zin van dat ik probeerde mijn inmiddels steeds meer zichtbaar geworden gebrek te verhullen. Het lukte mondjesmaat. Bovengekomen stond midden in de kamer een tafel met een vrolijk geblokt kleedje en een diversiteit aan stoelen en stoeltjes er omheen gerangschikt. Ik overlegde met een van de aanwezigen welke stoel mij het beste dragen kon en koos voor een teer uitziend teak houten stoeltje van een klassiek model. De zitting met brede gele rib bekleed. Hij oogde naast teer toch ook stevig en comfortabel  van zit, wat goed van pas kwam vanwege de storende zenuwstroomstoten die mijn ene been de hele dag, en nacht, begeleidden. Ik nam plaats en stelde vast dat het een goede keuze was geweest.

De gastheer opende de middag met een persoonlijk verhaal dat schrijnend was. De impact was groot, zoveel was duidelijk. En vooral ook heel begrijpelijk. Invoelbaar zelfs. Wat heet: herkenbaar. Ook ik had me inmiddels zoveel als mogelijk terug getrokken uit het -sociale – leven. Na een aantal ervaringen die mijn leven getekend hadden. Geen enkele behoefte meer aan vertrut gebabbel en nieuwe contacten. En zeker geen zin meer in façades. Alleen behoefte aan lotgenotencontact in de breedste zin, dus op gedeelde vlakken. Mensenmenigten schuwend. Wég met het onechte, we gaan voor het ‘eggie’.

Op zeker moment probeerde ik mijn rug te rechten, iets wat soms gebeuren moet, zowel letterlijk als figuurlijk. Ook om de zenuwen weer even de kans te geven zich te ontworstelen aan hun klem, en te ontspannen, zo dat al mogelijk is. Op datzelfde moment hoorde ik keihard ‘krak’, en niet alleen ík hoorde dat. Het was een scheurend, barstend, knáppend geluid dat de gezichten deed verstrakken. Niet in het laatste geval het mijne. Terwijl de eerste reflex een gevoel van absurditeit opriep, overviel mij direct ook schaamte. Als ik al gedacht had mijn corpulentie (voorbij) te verhullen, dan was dit het moment geweest dat die gedachte direct opgeheven werd. Dat mijn omvang niet met lucht gevuld was, werd met veel gekraak duidelijk. Ik dacht aan het omgekeerde van het woord teer, zoals het stoeltje was, dat op zich een kier betekende maar in de volksmond meer duidde op een dik achterwerk, of: een poefkont, zoals mijn dochters dat noemde.

Mocht ik ooit gedacht hebben met mijn ogen mensen te kunnen gijzelen en af te leiden, nu waren aller ogen gericht op Kwatta, in haar volle omvang. De volgende gedachte die razendsnel in mij op kwam was er een die ik tegelijkertijd uitsprak: ‘Is deze stoel ook uit het huis van je moeder afkomstig?’  Het feit dat die vraag met ‘Ja’ werd beantwoord gaf mij een groot gevoel van schuld. Niet alleen had ik een stoel doen kraken, hoewel ik er niet doorheen zakte, het was ook nog eens de stoel uit zijn ouderlijk huis. Ik werd terstond zo verdrietig dat álle verdriet van welke aard ook zich in mij samenbalde en er geen ontkomen meer aan was: tranen drongen zich op. Het was niet eens meer helemaal herleidbaar want het gevoel werd te groot, maar op de voorgrond stond mijn vernielzucht van zíjn stoel. Dit was het resultaat van jarenlange verwaarlozing, ophoping, eigen schuld met als resultaat dus ‘dikke bult’. Krak. Het echode nog na. Ondanks dat de gastheer mij bezwoer dat het geen enkel probleem was. Niet dat hij mij aanbood ook zijn andere stoelen uit te proberen. Maar toch. ‘Het geeft niet, het is materie,’ waren zijn troostende woorden, terwijl mij een zakdoek geboden werd. Ik sloeg hem af, vermande mij en wilde niet in een tranendal verdrinken.   Gelukkig bracht de middag nog meer vrolijkheid, en na vele uren, waarbij ik de gastheer ook ten afscheid kuste -hoewel ik hem maar zeer kort kende en dat eigenlijk misschien wel zeer ongepast was na deze vandalistische daad-  vertrok ik in de aanzwellende regen naar huis. Met mooie herinneringen en gemengde gevoelens.

Held

henk-sneevliet Henk Sneevliet

Held

We gingen het matras van paps’weg gooien. Hij had er bijna dertig jaar op geslapen.  Om eerlijk te zijn, hij was er niet van af te rossen, er moest echt flink geweld gebruikt worden. Maar het had geholpen en uiteindelijk reden we over de A 10 naar de Henk Sneevlietweg, een oersaai stukje hoofdstad, desolaat en deprimerend. Een doorgangsroute met een rails voor de sneltram. Eeuwig waaiend.  Er woont niemand. Er staan alleen kantoren.

Ik vertelde mijn zoon, maar dit even terzijde, dat Henk Sneevliet een verzetsheld geweest was. Dat had ik verleden jaar gehoord. Mijn zoon was onder de indruk, voornamelijk vanwege het feit dat je als verzetsheld een dergelijk treurige straat naar je vernoemd kreeg.  En bij nalezing – allemaal nog steeds terzijde- schaam ik mij er zelfs voor dat een man met deze staat van dienst, een straat naar zich vernoemd krijgt bij het Afvalpunt, langs de snelweg. Zó gaan wij met onze helden om!

Het is altijd een feest om naar het Afvalpunt te gaan, om verschillende redenen: er loopt bijzonder personeel rond, dat ten eerste. Er komen, veelal, mannen van allerlei pluimage: keurige mannen in kluskleding, de armen nu écht uit de mouwen stekend en puin afvoerend, vaders en zonen om wat weg te gooien maar ook moeders en zonen dus. En van de zomer waren we er om een Louis seizequatorzequinzestoeltje weg te gooien. Er ging een werknemer in zitten die vroeg of het van Beatrix geweest was… Ik heb maar niet verklapt dat het van mijn schoonmoeder was.

We namen afscheid van het matras, maakten een foto en gooiden het in de container en stuurden de foto naar paps, ten teken dat het nu echt voorbij was. Op zijn bed lag een hagelwit nieuw matras met medicinale werking. Dat moest goed zijn.

Na weer gewogen te zijn geworden bij vertrek, ook een vast onderdeel van het Afvalpunt (om te checken dat je geen illegale dingen afvoert, anders dan gemeld), besloot ik ‘binnendoor’ te rijden. Dus niet over de snelweg. Ik besloot de koninklijke route te volgen om te laten zien hoezeer deze weg meandert, om vervolgens in de componistenbuurt aan te komen. En dáár ging het mis. Net als met deze componist, die veel langer geleden leefde dan dat ik kon bevroeden, zag ik op Wikipedia.

Voor de enorme kerk, in de naar hem vernoemde straat, stonden twee gigantische verhuiswagens uit Brexit. Het betrof hier een internationale verhuizing, zoveel was duidelijk. De vrachtwagens stonden voor mij aan de linkerzijde van de straat dus ik had in principe geen obstakel. Ik passeerde de eerste vrachtwagen. Normaliter behoort dan, volgens de afgesproken regels, het mij tegemoetkomende verkeer achter de vrachtauto’s plaats te nemen, tot de kust veilig zou zijn. Maar neen, er kwam nog net een dame in een klein autootje snel even voordringen. Dacht zij. En zo stonden wij neus aan neus en probeerde dit oude dametje mij achteruit te laten manoeuvreren zodat zij haar weg kon voortzetten. Zij begon druk te gesticuleren, gebaarde dat ik achteruit moest, sloeg haar armen ten hemel en ineens had ik er genoeg van. Nu heeft een stadsdeel Zuid niet in elke stad eenzelfde sociale cohesie, Rotterdam Zuid is heel iets anders dan Amsterdam Zuid geloof ik, maar in die laatste plaats bevond ik mij. Afkomstig uit deze wijk kende ik mijn pappenheimers, en ik trok nog een beetje op. We stonden nu bijna met de lippen tegen elkaar. Ik liet zien dat ik helemaal niets van plan was dan alleen maar vooruit rijden. De dame in kwestie had blijkbaar dezelfde mening maar ik was echt heel erg stellig en ineens bevond ik mij in een situatie die ik eigenlijk met mijn normale verstand afkeur. En toch bleef ik staan. De Brexitmannen keken geamuseerd maar toch ook een beetje verbijsterd door zoveel halstarrigheid van het –eigenlijk gewoon domme- oude vrouwtje. Ik stapte uit om haar nog even de regels te updaten en zei dat ze heus gezien had dat ik allang aan het langsrijden was en dat ik vanselangsalseleve niet van plan was achteruit te gaan. Ik had er echt zin in! Ik hield sleutelbos in de lucht bungelend en riep (langzaamaan toch ook een beetje kokend)  dat ik ‘rustig een boodschapje ging doen.’

En toen begon het getoeter.  Ik woog de situatie even snel af, aha, een medestander achter mij. Nu gingen de verhuizers zich er ook mee bemoeien; mevrouw werd, in het Engels toegesproken en streng naar achteren gedirigeerd. Dáár waar ze hoorde. Nee, erger, ze moest nu helemaal achteraan sluiten want er had zich een fikse rij gevormd en alle mensen die wél verstand hadden van de regel dat je je in een dergelijke situatie afwachtend op dient te stellen, stonden nu achter de dubbel geparkeerde vrachtauto’s.
Oei, dat was balen.

Dom vrouwtje.

Mijn zoon zat zwijgend naast mij en keek strak voor zich uit al die tijd. Ik was bang de volle laag te krijgen omdat ik, zijn moeder, zijn voorbeeld, me totaal verlaagd had tot een ordinaire straatruzie. Maar ineens sprak hij de wijze en ware woorden: ‘Typisch Amsterdam Zuid gedrag van die vrouw.’ Wat kon hij toch kernachtig formuleren, mijn zoon. En met een dubbel gevoel reden wij nog een meter of achthonderd door en parkeerden voor de deur. Tjongejonge, wat een verzetsdaad had ik gepleegd zeg. Wat een held was ík….

 

 

 

 

WHAM!

 

Wham, en toen knalden we –bijna- het Oude Jaar uit. Maar eerst nog Kerstmis afwerken.

Wham, en toen kwam het binnen als een kleine gillende keukenmeid, ‘oeoeoeoei!’. Op mijn telefoon kwam een nieuws-noodbericht: ‘George Michael overleden’. Mijn adem stokte even. Niet omdat ik een enorme fan van hem was, nee, mijn hart ligt bij Dylan, Otis Redding, Motown, Solomon Burke, The Band! Maar er zijn ook andere muzikale genieën die er soms uit kunnen springen en mijn hart raken. George Michael bijvoorbeeld. Of Marianne Weber, geintje.

Ik was er even stil van. David Bowie had ik niks mee, ja, een piepklein beetje omdat hij op mijn ouders trouwdag geboren was, vandaag precies zeventig jaar geleden, op die koude winterdag ina januari, 1947. Maar dat is het enige dat ons bindt. Nooit íets aan gevonden. Prince, ja, jammer, dat wel. Een muzikaal virtuoos. Michael, die andere Michael, Jackson, eeuwig zonde, zoveel talent in de kiem gesmoord. Ik word nog steeds een beetje somber als ik die brancard zie, stiekem gefotografeerd, van dat lichaam dat stil in een gangetje ligt, dat nooit meer dansen zal….                                                                                                        Maar goed, deze Michael dus, George Michael. Een ongelooflijk energieke, swingende man, die alle ramen naar de wereld open zette om lucht te geven aan zijn geaardheid toen hij in een park in Los Angeles, VS, was betrapt op masturberen in een openbaar toilet. Door een undercoveragent notabeidebenen. Týpisch Amerikaans, zou ik zeggen. Hipocrisie van de bovenste plank. Je weet wel, die plank waarop in de VS zóveel ligt dat ie doorbuigt.

Ik was er even stil van geworden. Ze gingen met bosjes de laatste tijd. Persoonlijk en in de AGM (Algemene Grotemensen Wereld). Het afgelopen jaar werd het stiller. Het komt omdat we opschuiven en vooraan op de bushalte staan te wachten die ons naar de locatie: Eeuwige Jachtvelden zal brengen. We moeten er maar aan wennen. De kleuter van nu is niet bezig met Wham, Prince, Michael Jackson. Maar wij, wij zien de spoeling dun worden, een Mick Jagger rennen om de man met de zeis vooruit te blijven.

Hoe kon George Michael het zo uitkienen dat hij zijn grootste hit zoveel ‘body’ zou kunnen geven. Nóg meer dan het al had. Ik geloofde niet in toeval.

Ik dacht terug aan mijn stagetijd op een scholengemeenschap in Lelystad, begin jaren ‘80. ’s Ochtends vertrok ik met enorme tegenzin met de bus van halfzeven vanaf het Amstelstation om in Lelystad aangekomen om halfnegen op de afdeling Huishoudschool mijn lessen te gaan geven. Een klas met vele bakvissen, meiden van rond de zestien, zeventien.                                                                                                                                                        Die ene ochtend kwam ik binnen in het lokaal en dansten ze, innig omarmd, op de muziek van Wham. Zwijmelend schuifelden ze door de ruimte op Careless Whisper. Nee, ze zweefden meer. Het schrale winterochtendlicht buitenhoudend, met de gesloten gemeente-gordijnen, en hun eigen gesloten ogen. Meidenromantiek.

Het is een mooie herinnering. Zoals zovele herinneringen inmiddels. Een nieuw tijdvak, dat van herinneringen. Die nu nog gedeeld kunnen worden, en straks in stilte alleen nog voortleven. Maar dat is straks, pas. Wham!

 

http://www.volkskrant.nl/archief/george-komt-uit-de-kast-en-betuigt-tikje-spijt~a460241/

Verval

Verval

De laatste tijd valt mij op dat allerlei mensen die ik vanuit mijn jeugd ken, maar niet tot mijn persoonlijke vriendenkring behoren, ineens sterk verouderen. Het betreft leeftijdgenoten of net iets ouder. Het is als een afgevallen herfstblad dat je mee naar huis neemt omdat het zo mooi gekleurd is; na een paar dagen is het verschrompeld en verdroogd. Als je het oppakt, breekt het. Eigenlijk verkort een weergave van een periode in het leven tussen pakweg vijfveertig en zeventig jaar. Precies die periode waarin ik nu zit. Een periode van verval. Alles gaat zakken,  kraken, hangen. Bij de een meer dan bij een ander. Afhankelijk van genen, omgeving en gebeurtenissen in ieders persoonlijk leven. En toch, los daarvan, ontkomt niemand er aan.

En dat zie ik. Zoals bij een kennis die ik onlangs ontmoette. Ooit een prachtige, goedverzorgde vrouw.  Ik had haar lang niet gezien en de aanblik van haar verschijning deed mijn ogen pijn en boezemde mij bijna angst in. Hoe krampachtig zij vasthield aan haar natuurlijke ooit jonge, frisse  uiterlijk. Goddank zonder Botox, maar wel met een immens (kunst?) gebit dat zo breed was dat bijna haar mond niet meer sloot. Het haar was volledig dood-geverfd. Het hing als rechte stugge draden langs haar hoofd, het brokkelde bijna af als je er naar keek. Een griezelige verschijning, waardoor ik nog maar net de bijzondere vrouw kon zien die zij ooit was.

Sinds kort eet ik wel eens in een soort buurtrestaurant dat gerund wordt door allerlei vrouwen uit de mij omliggende straten. Onder andere als vrijwilligster in de bediening. Het is aandoenlijk om te zien. Je ziet ze helemaal opgefleurd in hun rol als serveerster (met een keurig schortje voor), wat misschien heel oneerbiedig klinkt. Ze spelen een soort van ‘restaurantje’, nu hun taak als psychologe, lerares, advocate enz. er vanwege de pensioengerechtigde leeftijd op zit.

En ze glimmen.

Ze zijn lief. Het zijn oude-re meisjes. Ze koken heerlijk en voor een klein bedrag kun je daarvanmeegenieten.

De mee-eter, een raar woord dat in deze context een heel andere betekenis heeft dan in de tijd dat zij/wij de adolescente leeftijd deelden, geniet ook. Er ontstaat een sfeer van vroeger, herkenbaar. Het is de vooravond van het elkaar gaan ontvallen. Evenals bij de wel veel intiemere vriendschappen van veertig, soms wel vijftig jaar al. Alle decorum verandert. Kwalen worden besproken, en in vrouwengezelschap is ook het een en ander al gepasseerd; de belevenissen van kleine naar grote kinderen, van menstruatieklachten via overgangsklachten  met opvliegers en nachtelijk zweten, naar haarkleuring, haaruitval, snor-en baardgroei en versleten gewrichten van knieën, polsen, handen en heupen. Sommigen proberen nog volop deze fase te bestrijden met zang en dans, wandelen met vriendinnengroepen (waarbij de stemhoogte door de groepssamenstelling soms wel met een halve octaaf stijgt).  Soms ook leesclubjes of toneel passe partouts.

Ik onttrek me aan het meeste, ben teveel op mezelf. Geraakt of van nature. Ik hou niet van al die feestelijkheden, het geeft me meestal een ongemakkelijk gevoel. Tegelijk mis ik daardoor soms essentiële zaken in de omgang en neem ik het niet altijd even nauw, zoals bijvoorbeeld met uiterlijkheden. Het maakt me slordig.                                                                 En zo zit ik nu, wachtend in de garage op mijn auto die straks weer met zijn ‘winterjas’  naar mij toe komt. Zoals ik destijds wachtte op de kinderen totdat ze uit school kwamen. Jaar, na jaar, na jaar.

En ineens bedenk ik me doordat té veel alleen zijn, dat ik mijn flosdraadjes en vieze papieren zakdoekje in de deursteun naast me heb laten liggen. Terwijl ik me had voorgenomen het weg te gooien om de reparateur er niet op te vergasten. Een bewijs dat een bepaalde teloorgang zich al van mij meester gemaakt heeft.

Bovenstaande column werd in november op verzoek van de Schrijversacademie op 21 november 2016 op hun  Faceboekpagina geplaatst

 

VOORBIJ

VOORBIJ

Voorbij was het, wat ik ook geprobeerd had. Ik had op mijn hoofd gestaan, op handen en voeten gelopen, van een halve liter in de zenuwen van de observatie per ongeluk 5 liter gemaakt, alles was genoteerd, vastgelegd voor de eeuwigheid. En hoe ik mijn best gedaan had, hoog en laag gesprongen, gewend en gekeerd, gelaveerd, hand in eigen boezem gestoken, tevergeefs.

Ik bereidde me al vanaf zeven uur ’s ochtends voor, bracht het digibord in stelling, het had allemaal niet mogen baten. In eerste instantie werd ik beoordeeld door ene mevrouw van der Staay, de naam zegt eigenlijk al genoeg. Zij kwam uit de buurt van Bodegraven. Een stijf uitziende jonge vrouw, in de heer en de leer. Zij kon ‘op het eerste gezicht niets bijzonders opmerken…’, maar met een klein lampje kon ze na lang zoeken blijkbaar toch van alles vinden, zo las ik in haar verslag. Ze vulde dialogen in die niet de mijne geweest waren, ze legde mij dingen in de mond, interpreteerde vrij en toen was het gedaan. Alles had ze zwart op wit, inclusief weerkerende spelfouten, keurig vastgelegd in een rapportage. De zaak leek beklonken.

Maar ik kreeg toch nog een kans. Men vond het toch ook wel erg karig, in 4 werkdagen een heel verbetertraject met een voldoende doorlopen te moeten hebben. Dus daarna kwam mevrouw Mooy, een echte Amsterdamse. Daar kon ik als autochtoon wel goed mee uit de voeten. Maar het kwaad was al geschied. Ach, eigenlijk al bij voorbaat. Alles stond immers vast, net als bij velen van mijn collega’s. En er was ook inmiddels teveel geschiedenis ontstaan: Amsterdammers, over het algemeen recht voor zijn raap, dat valt niet altijd even goed. Niet iedereen die in Amsterdam woont en werkt spreekt ook ‘Amsterdams’, laten we maar zeggen. Al doet men het vaak wel zo voorkomen.

Maargoed.                                                                                                                                                                        Een van de mooiste zinnen uit de rapportage vond ik wel: ’mevrouw zit met één bil op tafel.’ Welke leerkracht zit niet af en toe even met één bil op tafel, met twéé soms wel. En tegen een meerwaarde van dertig procent salaris functioneren zij nog steeds naar behoren. Trouwens, wat te denken van: ‘mevrouw corrigeert over de leerlingen heen’, wat duidde op een zacht vinger geknip om de (educatief) televisiekijkende kinderen niet te storen. Wie doet dat niet? Ik schat 99,9%. Je gaat toch niet door het beeld van dertig leerlingen heen lopen om tegen die ene ‘wipper’ te zeggen: ‘Ga eens goed zitten, anders val je om!’ Waardoor iedereen vervolgens raakt afgeleid. Maar had ik het wel zo gedaan, door de groep lopen, was dát een min geworden. Het maakte niet uit wát ik deed, hóe ik het deed. Kansloos bij de start. En niemand is perfect, ook ik niet. Maar er zijn redenen om mijn bedenkingen te hebben, gezien de inkrimping van het totale lerarenbestand uiteindelijk.

De zaak werd netjes afgehandeld en volgens de regels mocht ik mij herscholen, omscholen en ik ging op zoek alsof ik in een snoepwinkel kiezen mocht. Ik kreeg een vast bedrag dat paste bij mijn aantal gewerkte jaren. Via allerlei cursusaanbod en op zoek naar journalistieke mogelijkheden om mijn wens dan toch misschien nog op de valreep in vervulling te laten gaan, kwam ik bij toeval op de site van de Schrijversacademie. Mijn leven kreeg weer perspectief, helemaal toen ik de daad bij het woord mocht gaan voegen. Ik zette mijn gehele budget in. Startdatum zou 3 maart 2015 worden. Ik was ingedeeld bij de Basiscursus bij Daan Remmerts de Vries.

Op de dag van de Februaristaking overleed mijn moeder, niet in het harnas, wel dement, maar toch nog immer mijn moeder. De vrouw die me liefdevol had grootgebracht. De verstandige, belezen, wijze vrouw van wie ik de voorgaande jaren al beetje bij beetje afscheid genomen had. De moeder van wie ik zoveel hield en die langzaam aan mijn kind geworden was. Ze had me altijd met raad en daad bij gestaan. Was altijd modern van geest geweest, trots en sterk.                                                                                                                                Er was naast verdriet ook opluchting, het leven was voor haar eigenlijk mensonterend geworden.

Nu moesten we de dag gaan bespreken dat we afscheid van haar lichaam zouden gaan nemen. Ik dacht maar steeds aan die ene dag, 3 maart. De cursus zou om zes uur ’s avonds beginnen. Misschien kon het nog. Maar er waren te veel dooien die dag, blijkbaar. En gezien haar wens, Driehuis, waren we afhankelijk van de open gaatjes in de agenda en zo konden we om drie uur in de middag daar terecht, op drie-drie. Het leven is niet te plannen, de dood evenmin.

Gelukkig kon ik twee weken later starten bij Maaike Gerritsen. Het werd een bijzondere module. Met veel openhartigheid, tranen soms, het diepste van je ziel laten zien. We werden ondergedompeld in elkaars ziele roerselen. Het schiep een band.

En ondanks alle verlies, alle pijn, was deze opleiding een baken geworden in een rusteloos leven. Het werd een periode van herijking. Verrijking. Een periode die zoveel gaf en invulde wat ik heel lang gemist had, waar ik heel lang naar verlangd had, een leven van schrijven, overpeinzen, scheppen, schaven en herschrijven. Een nieuw begin, geboren uit een voorbije tijd.

Deze column werd op verzoek van de Schrijversacademie op 1 november 2016 op hun Facebookpagina geplaatst, wat ik als een eer beschouw natuurlijk