R.I.P.

R.I.P.

Om drie uur precies parkeerden wij de auto bij de voormalige boerderij en liepen het weiland in waar aan het einde in een hoek een plekje was ingeruimd voor Tibbe. De man met de zwarte jas en zwarte hoed en een sigarenstomp in zijn hand ging ons voor. Op de plek aangekomen haalde hij een dekzeil met twee stokjes weg en keken wij in een piepklein grafje dat keurig was leeggemaakt en bekleed met dik vlasdoek waarvan de uiteinden over de randen heen gedrapeerd waren. In de diepte lag Tibbe, zoals wij hem achterlieten en zoals wij hem kenden. Het was een aandoenlijk gezicht. De andere dochter werd overmand door zoveel eenzaamheid. Ten slotte is zo’n beestje langdurig familielid.

De man in het zwart dekte Tibbe toe met de flappen vlasdoek en sloot het geheel en het was goed. Zo hebben wij afscheid genomen en het vóelde goed. Uiteindelijk toch beter dan de vorige katten die ik bij de destructie achtergelaten had. Het voelde goed en niet sentimenteel in een wereld die steeds geschifter wordt en waar respectloosheid voor het leven in zijn algemeenheid in veler vaandels staat. En nu ligt Tibbe aangeschoven bij een nummer en een letter en niemand weet wie wie is. Terug gegeven aan de natuur in een glad gestreken weiland. Alleen wij weten waar.

(Het in memoriam van Tibbe staat rechtsboven en kun je na aanklikkelezen. Tenzij ik het hieronder op de juiste plek heb kunnen herplaatsen.)

Valentijsdag

Valentijnsdag – Manna Mulder

Het zal denk ik ergens rond groep drie geweest zijn, begin jaren negentig, dat mijn oudste zoon thuis kwam met een glas geblazen paardje. Het moest nog even tot me doordringen vanwaar dit presentje voor mijn zoon, maar na zijn uitleg werd het mij duidelijk; hij had het gekregen voor Valentijnsdag. Van het mooiste meisje van de klas, het poppetje van de school. Het was 14 februari.

Het was een paardje van een centimeter of acht met een bruin ruggetje en beentjes in galop, heel sierlijk en met wuivende manen. De beentjes waren van doorzichtig kleurloos glas. Jarenlang, misschien wel twintig, is het in ons bezit gebleven, tot het op een dag in stukken lag in een doosje en wij het uiteindelijk, na lang bewaard te hebben in deze toestand, met de vuilnisman hebben meegegeven.

Ik vond het aandoenlijk. Dat mijn zoon zo’n mooi paardje gekregen had van een meisje dat blijkbaar, zelfs al op zulke jonge leeftijd, warme gevoelens voor hem koesterde. Het zou een vooruitwijzing worden want tot heden heeft hij die aantrekkingskracht behouden. Zij het niet altijd even succesvol.

Valentijnsdag.

In deze betekenis heeft het voor mij nooit íets betekend. Ik heb stiekem wel eens gedacht die ‘w(R)oest aantrekkelijke’ garagehouder aan de Zeeburgerdijk stiekem een kaart te sturen maar mijn nuchterheid weerhield mij. Bovendien zag hij mij niet staan, als vrouw. Ik was totáál zijn type niet. En bovendien vind ik al dat gedoe met Valentijnsdag maar volkomen flauwekul.

Om eerlijk te zijn vind ik het verschrikkelijk. Ik vind het een opgeblazen, commerciële feestviering. Verzonnen en in het leven geroepen om slagjes uit te slaan en valse hoop te geven aan mensen die verlegen zijn of om andere reden iemand op de hoogte willen stellen van hun aanbidding. Het is een dag, in het leven geroepen voor commercieel gewin. Ineens word je doodgegooid met kaarten, rode aluminium opblaasharten op een steeltje, rozen, weekendjes in hotels. Alles wordt samengebald in die ene dag. Terwijl wij eigenlijk álle dagen onze gevoelens op die manier zouden moeten kunnen en vooral wíllen uiten. Niet dat je elke dag feest hoeft te vieren, dat veroorzaakt ook slijtage. Maar om nou je romantiek op te hangen aan een dag met een vage historie, want ik ben even op onderzoek uit gegaan: er is geen enkele duidelijke aanwijzing voor de invulling van deze dag. Gewoon verzonnen op basis van wat vage overleveringen. Goed voor de economie.

Valentijnsdag, 14 februari, die datum, heeft op zich altijd wel betekenis gehad voor mij, maar in andere zin. Het is de dag dat mijn oom geboren werd, negenennegentig jaar geleden. Hij mocht maar zesentwintig worden, vermoord door de Jap. Aan hem dacht ik altijd op die 14e februari. Of, mijn muis die ik zo genoemd had.

Misschien toch met het gevoel toen dat er een belangrijke boodschap in die naam huisde. Valentijn, de muis dus, woonde op onze schoorsteenmantel in een hoge accubak, van doorzichtig glas. De bak had geen gunstige afmeting voor hem: 30x15x40 (lxbxh) of zoiets. Wat betekende dat ik hem altijd enorm zijn best zag doen omhoog te klimmen maar dat niet kon vanwege het gladde glas. Ik kon hem wel bestuderen, als puber, hangend in een stoel. Hij scharrelde wat rond tussen zijn krantensnippers.

Hij werd een zij

Nog een andere Valentijn waar ik tegenwoordig aan denk is Valentijn de Hingh. Híj werd een zij, Misschien wel de ultieme invulling van Valentijnsdag, de samensmelting van hij en zij.  Kijk, in die zin is 14 februari wel een mooie dag om even bij stil te staan, bij Valentijn. Maar verder heb ik er zelf helemaal niks mee.

Over de auteur:

Manna heet ik, geboren midden jaren vijftig in deze hoofdstad uit een journalist als vader en een verpleegster als moeder. Inmiddels wees. Zelf moeder van een behoorlijk gezin, echtgenote. Ex-leerkracht. Reeds anderhalf jaar blije student aan deze opleiding bij de Schrijversacademie, met gelukkig nog een aantal modules in het verschiet! Schrijven geeft mij rust.

Deze bijdrage stond op 14 februari op de FB site van de Schrijversacademie

Teer

gele stoel

Teer

Het was een mooie zondagochtend toen ik westwaarts de stad in fietste om uiteindelijk met een doorsteek in hartje centrum aan te komen op het adres van mijn gastheer. Wij hadden met een aantal gelijkgestemden een bijeenkomst. Op het balkon stond de heer des huizes op de uitkijk.  Binnengekomen probeerde ik zo onopvallend mogelijk de traptreden naar boven te bestijgen. Onopvallend in de zin van dat ik probeerde mijn inmiddels steeds meer zichtbaar geworden gebrek te verhullen. Het lukte mondjesmaat. Bovengekomen stond midden in de kamer een tafel met een vrolijk geblokt kleedje en een diversiteit aan stoelen en stoeltjes er omheen gerangschikt. Ik overlegde met een van de aanwezigen welke stoel mij het beste dragen kon en koos voor een teer uitziend teak houten stoeltje van een klassiek model. De zitting met brede gele rib bekleed. Hij oogde naast teer toch ook stevig en comfortabel  van zit, wat goed van pas kwam vanwege de storende zenuwstroomstoten die mijn ene been de hele dag, en nacht, begeleidden. Ik nam plaats en stelde vast dat het een goede keuze was geweest.

De gastheer opende de middag met een persoonlijk verhaal dat schrijnend was. De impact was groot, zoveel was duidelijk. En vooral ook heel begrijpelijk. Invoelbaar zelfs. Wat heet: herkenbaar. Ook ik had me inmiddels zoveel als mogelijk terug getrokken uit het -sociale – leven. Na een aantal ervaringen die mijn leven getekend hadden. Geen enkele behoefte meer aan vertrut gebabbel en nieuwe contacten. En zeker geen zin meer in façades. Alleen behoefte aan lotgenotencontact in de breedste zin, dus op gedeelde vlakken. Mensenmenigten schuwend. Wég met het onechte, we gaan voor het ‘eggie’.

Op zeker moment probeerde ik mijn rug te rechten, iets wat soms gebeuren moet, zowel letterlijk als figuurlijk. Ook om de zenuwen weer even de kans te geven zich te ontworstelen aan hun klem, en te ontspannen, zo dat al mogelijk is. Op datzelfde moment hoorde ik keihard ‘krak’, en niet alleen ík hoorde dat. Het was een scheurend, barstend, knáppend geluid dat de gezichten deed verstrakken. Niet in het laatste geval het mijne. Terwijl de eerste reflex een gevoel van absurditeit opriep, overviel mij direct ook schaamte. Als ik al gedacht had mijn corpulentie (voorbij) te verhullen, dan was dit het moment geweest dat die gedachte direct opgeheven werd. Dat mijn omvang niet met lucht gevuld was, werd met veel gekraak duidelijk. Ik dacht aan het omgekeerde van het woord teer, zoals het stoeltje was, dat op zich een kier betekende maar in de volksmond meer duidde op een dik achterwerk, of: een poefkont, zoals mijn dochters dat noemde.

Mocht ik ooit gedacht hebben met mijn ogen mensen te kunnen gijzelen en af te leiden, nu waren aller ogen gericht op Kwatta, in haar volle omvang. De volgende gedachte die razendsnel in mij op kwam was er een die ik tegelijkertijd uitsprak: ‘Is deze stoel ook uit het huis van je moeder afkomstig?’  Het feit dat die vraag met ‘Ja’ werd beantwoord gaf mij een groot gevoel van schuld. Niet alleen had ik een stoel doen kraken, hoewel ik er niet doorheen zakte, het was ook nog eens de stoel uit zijn ouderlijk huis. Ik werd terstond zo verdrietig dat álle verdriet van welke aard ook zich in mij samenbalde en er geen ontkomen meer aan was: tranen drongen zich op. Het was niet eens meer helemaal herleidbaar want het gevoel werd te groot, maar op de voorgrond stond mijn vernielzucht van zíjn stoel. Dit was het resultaat van jarenlange verwaarlozing, ophoping, eigen schuld met als resultaat dus ‘dikke bult’. Krak. Het echode nog na. Ondanks dat de gastheer mij bezwoer dat het geen enkel probleem was. Niet dat hij mij aanbood ook zijn andere stoelen uit te proberen. Maar toch. ‘Het geeft niet, het is materie,’ waren zijn troostende woorden, terwijl mij een zakdoek geboden werd. Ik sloeg hem af, vermande mij en wilde niet in een tranendal verdrinken.   Gelukkig bracht de middag nog meer vrolijkheid, en na vele uren, waarbij ik de gastheer ook ten afscheid kuste -hoewel ik hem maar zeer kort kende en dat eigenlijk misschien wel zeer ongepast was na deze vandalistische daad-  vertrok ik in de aanzwellende regen naar huis. Met mooie herinneringen en gemengde gevoelens.

Held

henk-sneevliet Henk Sneevliet

Held

We gingen het matras van paps’weg gooien. Hij had er bijna dertig jaar op geslapen.  Om eerlijk te zijn, hij was er niet van af te rossen, er moest echt flink geweld gebruikt worden. Maar het had geholpen en uiteindelijk reden we over de A 10 naar de Henk Sneevlietweg, een oersaai stukje hoofdstad, desolaat en deprimerend. Een doorgangsroute met een rails voor de sneltram. Eeuwig waaiend.  Er woont niemand. Er staan alleen kantoren.

Ik vertelde mijn zoon, maar dit even terzijde, dat Henk Sneevliet een verzetsheld geweest was. Dat had ik verleden jaar gehoord. Mijn zoon was onder de indruk, voornamelijk vanwege het feit dat je als verzetsheld een dergelijk treurige straat naar je vernoemd kreeg.  En bij nalezing – allemaal nog steeds terzijde- schaam ik mij er zelfs voor dat een man met deze staat van dienst, een straat naar zich vernoemd krijgt bij het Afvalpunt, langs de snelweg. Zó gaan wij met onze helden om!

Het is altijd een feest om naar het Afvalpunt te gaan, om verschillende redenen: er loopt bijzonder personeel rond, dat ten eerste. Er komen, veelal, mannen van allerlei pluimage: keurige mannen in kluskleding, de armen nu écht uit de mouwen stekend en puin afvoerend, vaders en zonen om wat weg te gooien maar ook moeders en zonen dus. En van de zomer waren we er om een Louis seizequatorzequinzestoeltje weg te gooien. Er ging een werknemer in zitten die vroeg of het van Beatrix geweest was… Ik heb maar niet verklapt dat het van mijn schoonmoeder was.

We namen afscheid van het matras, maakten een foto en gooiden het in de container en stuurden de foto naar paps, ten teken dat het nu echt voorbij was. Op zijn bed lag een hagelwit nieuw matras met medicinale werking. Dat moest goed zijn.

Na weer gewogen te zijn geworden bij vertrek, ook een vast onderdeel van het Afvalpunt (om te checken dat je geen illegale dingen afvoert, anders dan gemeld), besloot ik ‘binnendoor’ te rijden. Dus niet over de snelweg. Ik besloot de koninklijke route te volgen om te laten zien hoezeer deze weg meandert, om vervolgens in de componistenbuurt aan te komen. En dáár ging het mis. Net als met deze componist, die veel langer geleden leefde dan dat ik kon bevroeden, zag ik op Wikipedia.

Voor de enorme kerk, in de naar hem vernoemde straat, stonden twee gigantische verhuiswagens uit Brexit. Het betrof hier een internationale verhuizing, zoveel was duidelijk. De vrachtwagens stonden voor mij aan de linkerzijde van de straat dus ik had in principe geen obstakel. Ik passeerde de eerste vrachtwagen. Normaliter behoort dan, volgens de afgesproken regels, het mij tegemoetkomende verkeer achter de vrachtauto’s plaats te nemen, tot de kust veilig zou zijn. Maar neen, er kwam nog net een dame in een klein autootje snel even voordringen. Dacht zij. En zo stonden wij neus aan neus en probeerde dit oude dametje mij achteruit te laten manoeuvreren zodat zij haar weg kon voortzetten. Zij begon druk te gesticuleren, gebaarde dat ik achteruit moest, sloeg haar armen ten hemel en ineens had ik er genoeg van. Nu heeft een stadsdeel Zuid niet in elke stad eenzelfde sociale cohesie, Rotterdam Zuid is heel iets anders dan Amsterdam Zuid geloof ik, maar in die laatste plaats bevond ik mij. Afkomstig uit deze wijk kende ik mijn pappenheimers, en ik trok nog een beetje op. We stonden nu bijna met de lippen tegen elkaar. Ik liet zien dat ik helemaal niets van plan was dan alleen maar vooruit rijden. De dame in kwestie had blijkbaar dezelfde mening maar ik was echt heel erg stellig en ineens bevond ik mij in een situatie die ik eigenlijk met mijn normale verstand afkeur. En toch bleef ik staan. De Brexitmannen keken geamuseerd maar toch ook een beetje verbijsterd door zoveel halstarrigheid van het –eigenlijk gewoon domme- oude vrouwtje. Ik stapte uit om haar nog even de regels te updaten en zei dat ze heus gezien had dat ik allang aan het langsrijden was en dat ik vanselangsalseleve niet van plan was achteruit te gaan. Ik had er echt zin in! Ik hield sleutelbos in de lucht bungelend en riep (langzaamaan toch ook een beetje kokend)  dat ik ‘rustig een boodschapje ging doen.’

En toen begon het getoeter.  Ik woog de situatie even snel af, aha, een medestander achter mij. Nu gingen de verhuizers zich er ook mee bemoeien; mevrouw werd, in het Engels toegesproken en streng naar achteren gedirigeerd. Dáár waar ze hoorde. Nee, erger, ze moest nu helemaal achteraan sluiten want er had zich een fikse rij gevormd en alle mensen die wél verstand hadden van de regel dat je je in een dergelijke situatie afwachtend op dient te stellen, stonden nu achter de dubbel geparkeerde vrachtauto’s.
Oei, dat was balen.

Dom vrouwtje.

Mijn zoon zat zwijgend naast mij en keek strak voor zich uit al die tijd. Ik was bang de volle laag te krijgen omdat ik, zijn moeder, zijn voorbeeld, me totaal verlaagd had tot een ordinaire straatruzie. Maar ineens sprak hij de wijze en ware woorden: ‘Typisch Amsterdam Zuid gedrag van die vrouw.’ Wat kon hij toch kernachtig formuleren, mijn zoon. En met een dubbel gevoel reden wij nog een meter of achthonderd door en parkeerden voor de deur. Tjongejonge, wat een verzetsdaad had ik gepleegd zeg. Wat een held was ík….

 

 

 

 

WHAM!

 

Wham, en toen knalden we –bijna- het Oude Jaar uit. Maar eerst nog Kerstmis afwerken.

Wham, en toen kwam het binnen als een kleine gillende keukenmeid, ‘oeoeoeoei!’. Op mijn telefoon kwam een nieuws-noodbericht: ‘George Michael overleden’. Mijn adem stokte even. Niet omdat ik een enorme fan van hem was, nee, mijn hart ligt bij Dylan, Otis Redding, Motown, Solomon Burke, The Band! Maar er zijn ook andere muzikale genieën die er soms uit kunnen springen en mijn hart raken. George Michael bijvoorbeeld. Of Marianne Weber, geintje.

Ik was er even stil van. David Bowie had ik niks mee, ja, een piepklein beetje omdat hij op mijn ouders trouwdag geboren was, vandaag precies zeventig jaar geleden, op die koude winterdag ina januari, 1947. Maar dat is het enige dat ons bindt. Nooit íets aan gevonden. Prince, ja, jammer, dat wel. Een muzikaal virtuoos. Michael, die andere Michael, Jackson, eeuwig zonde, zoveel talent in de kiem gesmoord. Ik word nog steeds een beetje somber als ik die brancard zie, stiekem gefotografeerd, van dat lichaam dat stil in een gangetje ligt, dat nooit meer dansen zal….                                                                                                        Maar goed, deze Michael dus, George Michael. Een ongelooflijk energieke, swingende man, die alle ramen naar de wereld open zette om lucht te geven aan zijn geaardheid toen hij in een park in Los Angeles, VS, was betrapt op masturberen in een openbaar toilet. Door een undercoveragent notabeidebenen. Týpisch Amerikaans, zou ik zeggen. Hipocrisie van de bovenste plank. Je weet wel, die plank waarop in de VS zóveel ligt dat ie doorbuigt.

Ik was er even stil van geworden. Ze gingen met bosjes de laatste tijd. Persoonlijk en in de AGM (Algemene Grotemensen Wereld). Het afgelopen jaar werd het stiller. Het komt omdat we opschuiven en vooraan op de bushalte staan te wachten die ons naar de locatie: Eeuwige Jachtvelden zal brengen. We moeten er maar aan wennen. De kleuter van nu is niet bezig met Wham, Prince, Michael Jackson. Maar wij, wij zien de spoeling dun worden, een Mick Jagger rennen om de man met de zeis vooruit te blijven.

Hoe kon George Michael het zo uitkienen dat hij zijn grootste hit zoveel ‘body’ zou kunnen geven. Nóg meer dan het al had. Ik geloofde niet in toeval.

Ik dacht terug aan mijn stagetijd op een scholengemeenschap in Lelystad, begin jaren ‘80. ’s Ochtends vertrok ik met enorme tegenzin met de bus van halfzeven vanaf het Amstelstation om in Lelystad aangekomen om halfnegen op de afdeling Huishoudschool mijn lessen te gaan geven. Een klas met vele bakvissen, meiden van rond de zestien, zeventien.                                                                                                                                                        Die ene ochtend kwam ik binnen in het lokaal en dansten ze, innig omarmd, op de muziek van Wham. Zwijmelend schuifelden ze door de ruimte op Careless Whisper. Nee, ze zweefden meer. Het schrale winterochtendlicht buitenhoudend, met de gesloten gemeente-gordijnen, en hun eigen gesloten ogen. Meidenromantiek.

Het is een mooie herinnering. Zoals zovele herinneringen inmiddels. Een nieuw tijdvak, dat van herinneringen. Die nu nog gedeeld kunnen worden, en straks in stilte alleen nog voortleven. Maar dat is straks, pas. Wham!

 

http://www.volkskrant.nl/archief/george-komt-uit-de-kast-en-betuigt-tikje-spijt~a460241/

Verval

Verval

De laatste tijd valt mij op dat allerlei mensen die ik vanuit mijn jeugd ken, maar niet tot mijn persoonlijke vriendenkring behoren, ineens sterk verouderen. Het betreft leeftijdgenoten of net iets ouder. Het is als een afgevallen herfstblad dat je mee naar huis neemt omdat het zo mooi gekleurd is; na een paar dagen is het verschrompeld en verdroogd. Als je het oppakt, breekt het. Eigenlijk verkort een weergave van een periode in het leven tussen pakweg vijfveertig en zeventig jaar. Precies die periode waarin ik nu zit. Een periode van verval. Alles gaat zakken,  kraken, hangen. Bij de een meer dan bij een ander. Afhankelijk van genen, omgeving en gebeurtenissen in ieders persoonlijk leven. En toch, los daarvan, ontkomt niemand er aan.

En dat zie ik. Zoals bij een kennis die ik onlangs ontmoette. Ooit een prachtige, goedverzorgde vrouw.  Ik had haar lang niet gezien en de aanblik van haar verschijning deed mijn ogen pijn en boezemde mij bijna angst in. Hoe krampachtig zij vasthield aan haar natuurlijke ooit jonge, frisse  uiterlijk. Goddank zonder Botox, maar wel met een immens (kunst?) gebit dat zo breed was dat bijna haar mond niet meer sloot. Het haar was volledig dood-geverfd. Het hing als rechte stugge draden langs haar hoofd, het brokkelde bijna af als je er naar keek. Een griezelige verschijning, waardoor ik nog maar net de bijzondere vrouw kon zien die zij ooit was.

Sinds kort eet ik wel eens in een soort buurtrestaurant dat gerund wordt door allerlei vrouwen uit de mij omliggende straten. Onder andere als vrijwilligster in de bediening. Het is aandoenlijk om te zien. Je ziet ze helemaal opgefleurd in hun rol als serveerster (met een keurig schortje voor), wat misschien heel oneerbiedig klinkt. Ze spelen een soort van ‘restaurantje’, nu hun taak als psychologe, lerares, advocate enz. er vanwege de pensioengerechtigde leeftijd op zit.

En ze glimmen.

Ze zijn lief. Het zijn oude-re meisjes. Ze koken heerlijk en voor een klein bedrag kun je daarvanmeegenieten.

De mee-eter, een raar woord dat in deze context een heel andere betekenis heeft dan in de tijd dat zij/wij de adolescente leeftijd deelden, geniet ook. Er ontstaat een sfeer van vroeger, herkenbaar. Het is de vooravond van het elkaar gaan ontvallen. Evenals bij de wel veel intiemere vriendschappen van veertig, soms wel vijftig jaar al. Alle decorum verandert. Kwalen worden besproken, en in vrouwengezelschap is ook het een en ander al gepasseerd; de belevenissen van kleine naar grote kinderen, van menstruatieklachten via overgangsklachten  met opvliegers en nachtelijk zweten, naar haarkleuring, haaruitval, snor-en baardgroei en versleten gewrichten van knieën, polsen, handen en heupen. Sommigen proberen nog volop deze fase te bestrijden met zang en dans, wandelen met vriendinnengroepen (waarbij de stemhoogte door de groepssamenstelling soms wel met een halve octaaf stijgt).  Soms ook leesclubjes of toneel passe partouts.

Ik onttrek me aan het meeste, ben teveel op mezelf. Geraakt of van nature. Ik hou niet van al die feestelijkheden, het geeft me meestal een ongemakkelijk gevoel. Tegelijk mis ik daardoor soms essentiële zaken in de omgang en neem ik het niet altijd even nauw, zoals bijvoorbeeld met uiterlijkheden. Het maakt me slordig.                                                                 En zo zit ik nu, wachtend in de garage op mijn auto die straks weer met zijn ‘winterjas’  naar mij toe komt. Zoals ik destijds wachtte op de kinderen totdat ze uit school kwamen. Jaar, na jaar, na jaar.

En ineens bedenk ik me doordat té veel alleen zijn, dat ik mijn flosdraadjes en vieze papieren zakdoekje in de deursteun naast me heb laten liggen. Terwijl ik me had voorgenomen het weg te gooien om de reparateur er niet op te vergasten. Een bewijs dat een bepaalde teloorgang zich al van mij meester gemaakt heeft.

Bovenstaande column werd in november op verzoek van de Schrijversacademie op 21 november 2016 op hun  Faceboekpagina geplaatst

 

VOORBIJ

VOORBIJ

Voorbij was het, wat ik ook geprobeerd had. Ik had op mijn hoofd gestaan, op handen en voeten gelopen, van een halve liter in de zenuwen van de observatie per ongeluk 5 liter gemaakt, alles was genoteerd, vastgelegd voor de eeuwigheid. En hoe ik mijn best gedaan had, hoog en laag gesprongen, gewend en gekeerd, gelaveerd, hand in eigen boezem gestoken, tevergeefs.

Ik bereidde me al vanaf zeven uur ’s ochtends voor, bracht het digibord in stelling, het had allemaal niet mogen baten. In eerste instantie werd ik beoordeeld door ene mevrouw van der Staay, de naam zegt eigenlijk al genoeg. Zij kwam uit de buurt van Bodegraven. Een stijf uitziende jonge vrouw, in de heer en de leer. Zij kon ‘op het eerste gezicht niets bijzonders opmerken…’, maar met een klein lampje kon ze na lang zoeken blijkbaar toch van alles vinden, zo las ik in haar verslag. Ze vulde dialogen in die niet de mijne geweest waren, ze legde mij dingen in de mond, interpreteerde vrij en toen was het gedaan. Alles had ze zwart op wit, inclusief weerkerende spelfouten, keurig vastgelegd in een rapportage. De zaak leek beklonken.

Maar ik kreeg toch nog een kans. Men vond het toch ook wel erg karig, in 4 werkdagen een heel verbetertraject met een voldoende doorlopen te moeten hebben. Dus daarna kwam mevrouw Mooy, een echte Amsterdamse. Daar kon ik als autochtoon wel goed mee uit de voeten. Maar het kwaad was al geschied. Ach, eigenlijk al bij voorbaat. Alles stond immers vast, net als bij velen van mijn collega’s. En er was ook inmiddels teveel geschiedenis ontstaan: Amsterdammers, over het algemeen recht voor zijn raap, dat valt niet altijd even goed. Niet iedereen die in Amsterdam woont en werkt spreekt ook ‘Amsterdams’, laten we maar zeggen. Al doet men het vaak wel zo voorkomen.

Maargoed.                                                                                                                                                                        Een van de mooiste zinnen uit de rapportage vond ik wel: ’mevrouw zit met één bil op tafel.’ Welke leerkracht zit niet af en toe even met één bil op tafel, met twéé soms wel. En tegen een meerwaarde van dertig procent salaris functioneren zij nog steeds naar behoren. Trouwens, wat te denken van: ‘mevrouw corrigeert over de leerlingen heen’, wat duidde op een zacht vinger geknip om de (educatief) televisiekijkende kinderen niet te storen. Wie doet dat niet? Ik schat 99,9%. Je gaat toch niet door het beeld van dertig leerlingen heen lopen om tegen die ene ‘wipper’ te zeggen: ‘Ga eens goed zitten, anders val je om!’ Waardoor iedereen vervolgens raakt afgeleid. Maar had ik het wel zo gedaan, door de groep lopen, was dát een min geworden. Het maakte niet uit wát ik deed, hóe ik het deed. Kansloos bij de start. En niemand is perfect, ook ik niet. Maar er zijn redenen om mijn bedenkingen te hebben, gezien de inkrimping van het totale lerarenbestand uiteindelijk.

De zaak werd netjes afgehandeld en volgens de regels mocht ik mij herscholen, omscholen en ik ging op zoek alsof ik in een snoepwinkel kiezen mocht. Ik kreeg een vast bedrag dat paste bij mijn aantal gewerkte jaren. Via allerlei cursusaanbod en op zoek naar journalistieke mogelijkheden om mijn wens dan toch misschien nog op de valreep in vervulling te laten gaan, kwam ik bij toeval op de site van de Schrijversacademie. Mijn leven kreeg weer perspectief, helemaal toen ik de daad bij het woord mocht gaan voegen. Ik zette mijn gehele budget in. Startdatum zou 3 maart 2015 worden. Ik was ingedeeld bij de Basiscursus bij Daan Remmerts de Vries.

Op de dag van de Februaristaking overleed mijn moeder, niet in het harnas, wel dement, maar toch nog immer mijn moeder. De vrouw die me liefdevol had grootgebracht. De verstandige, belezen, wijze vrouw van wie ik de voorgaande jaren al beetje bij beetje afscheid genomen had. De moeder van wie ik zoveel hield en die langzaam aan mijn kind geworden was. Ze had me altijd met raad en daad bij gestaan. Was altijd modern van geest geweest, trots en sterk.                                                                                                                                Er was naast verdriet ook opluchting, het leven was voor haar eigenlijk mensonterend geworden.

Nu moesten we de dag gaan bespreken dat we afscheid van haar lichaam zouden gaan nemen. Ik dacht maar steeds aan die ene dag, 3 maart. De cursus zou om zes uur ’s avonds beginnen. Misschien kon het nog. Maar er waren te veel dooien die dag, blijkbaar. En gezien haar wens, Driehuis, waren we afhankelijk van de open gaatjes in de agenda en zo konden we om drie uur in de middag daar terecht, op drie-drie. Het leven is niet te plannen, de dood evenmin.

Gelukkig kon ik twee weken later starten bij Maaike Gerritsen. Het werd een bijzondere module. Met veel openhartigheid, tranen soms, het diepste van je ziel laten zien. We werden ondergedompeld in elkaars ziele roerselen. Het schiep een band.

En ondanks alle verlies, alle pijn, was deze opleiding een baken geworden in een rusteloos leven. Het werd een periode van herijking. Verrijking. Een periode die zoveel gaf en invulde wat ik heel lang gemist had, waar ik heel lang naar verlangd had, een leven van schrijven, overpeinzen, scheppen, schaven en herschrijven. Een nieuw begin, geboren uit een voorbije tijd.

Deze column werd op verzoek van de Schrijversacademie op 1 november 2016 op hun Facebookpagina geplaatst, wat ik als een eer beschouw natuurlijk

 

Koffiehuis

Muis

Koffiehuis

En zo droomde ik ineens weer dag. Associatief. Ik reed met mijn zoon langs de Kersentuin aan de Apollolaan. Hij vroeg wat dit voor gebouw was, hij vond het zo lelijk. ‘Een hotel,’ sprak ik, ‘waar Joop Braakhekke van Le Garage ooit met spetterend vuur vertrok. Daarna is hij in een oude garage in de Ruysdaelstraat zijn restaurant begonnen.’                                 Mijn zoon vertelde over mensen die er gegeten hadden en hoe hard men er moest werken. Ik vertelde over de straat van ‘toen’ was, waar het hoofdgebouw van de Hema zetelde, waar nu de mensen fysiek gekneed worden. Maar ongeveer naast Le Garage, waar destijds een garage zat toen een koffiehuis zetelde (ik schat op nr. 46).                                                            Met regelmaat gingen we daarheen. Eerst toestemming vragen om de buurt uit te gaan en de drukke straat over te steken en dan op snoepjacht, want in het koffiehuis werd snoep verkocht, vanaf één cent. Alles lag uitgestald onder een soort raamwerk met dik doorzichtig plastic, als deksel van een soort rechthoekige kist van 100x80x25 cm. De snoepvitrine op hoge poten. Voor die ene cent kon je grijze of witte babymuizen krijgen. Een beetje een spekkie-soort. Voor vijf cent kon je een grijze of witte papa- of mamamuis kopen. Een groter formaat dus. Ook stroopsoldaten met papier, waar je eerst met eigen spuug het papier vanaf moest weken. Verder: opgerolde dropveters met in het midden een gekleurd balletje, Kwattarepen, spekkies (roze-gele ruit, zoals ze er nog steeds zijn), ouwelpapier, toverballen en nog veel meer.  Sommige van deze snoepsoorten bestaan nog steeds. Maar wat niet meer bestaat is het koffiehuis.

Als binnentrad kwam je in een sombere, donkere ruimte met allemaal tafeltjes en stoetjes met tapijttafelkleedjes, Perzisch. Er brandde geen licht. Achterin, in een soort keukentje zat een hele dikke vrouw met een schort om en vies grijs vet krullend haar. Ik meen ook nog met een mond met ontbrekende tanden. Soms hees ze zich uit haar stoel en schommelde richting het licht, daar waar de snoepuitstalling stond, bij binnenkomst rechts naast de deur. Soms kwam haar man van achteren, een viezige oude man met gekromde rug en ónaardig, zoals wel meer mensen in die tijd, die zich op kinderen richtten met hun handel. (Op de Albert Cuyp zat een gigantisch dikke man met enorme buik, zittend op een kruk naast een kraam met speelgoed altijd te roepen: ‘Wij hebben álles voor het kind,’ vervolgend, als een kind daarop afkomend iets van speelgoed wilde aanraken: ‘Blijf er met je poten af!’ Waarop het betreffende kind angstig achteruit deinsde. Mijn vader vond dat vooral prachtig en mocht deze situatie graag voordragen.                                                                  Achterin dit koffiehuis zat een grote papegaai op een stok. Soms zat hij in een kooi. Je mocht er wel even naar kijken maar niet te dichtbij komen. Hij kon in je vingers pikken. Vals.

Hoe de avonden er waren weet ik niet, ik was te jong, maar aan het interieur te zien werd er ’s avonds een kaartje gelegd of een schaakspel gespeeld. Of gedamd. Maar of er naast ons bezoek sprake van enig ander bezoek was, om eerlijk te zijn heb ik geen idee. Het was min of meer een soort voorportaal van iets heel treurigs, voor deze mensen.

 

Het zal de ouderdom zijn maar steeds vaker rijd ik door straten waarbij ik passerend aan mijn geestesoog alle vertrokken winkels zie langstrekken. Plaats gemaakt voor woonhuizen of moderne zaken. Het zijn er zo velen. Langzaamaan schuif ik op, net als al mijn voorgangers, ben ik in een stadium gekomen van gemis van wat ooit als vaste waarde leek te bestaan.

 

Hieronder een link naar een onderzoek m.b.t. koffiehuizen en hun ontwikkeling

http://dare.uva.nl/cgi/arno/show.cgi?fid=45301

 

‘Tocht naar de Hitlerberg’

Kehlsteinhaus lift

‘ Tocht naar de Hitlerberg’

 

Het was 1984 en ik zat vlak voor mijn afstuderen aan een lerarenopleiding, Nederlands. Ik had besloten om dat te versnellen en moest nu als een haas veertig boeken lezen: Kloos, Van Deyssel, Couperus, Bordewijk, Elschot, van Ostaijen, Slauerhoff, Hermans, Mulisch, Reve enz. enz. Ik had er twee maanden voor maar las met de snelheid van Avi 4 ongeveer.

Het was juli en eigenlijk ook vakantietijd dus besloten mijn man en ik toch even op pad te gaan, voor de ontspanning. Boeken wel mee. We reden richting Beieren en streken neer in een pension annex Metzgerei aan de Duits-Oostenrijkse grens. Schengen bestond nog niet en aan de overzijde van de rivier die Oostenrijk van Duitsland scheidde stond nog een militair, zijn land te beschermen. Het was een mooie omgeving en ik las als ik de tijd had maar we maakten ook uitstapjes naar bijvoorbeeld Salzburg.                                            Eigenlijk hadden we er helemaal niet bij stil gestaan dat dat zo dichtbij was, maar altijd geïnteresseerd in de Tweede Wereldoorlog bleek dat Berchtesgaden dichtbij lag. Dus reden we erheen voor een dagtochtje. We waren getipt dat men het Kehlsteinhaus bezoeken kon, een restaurant hoog bovenop een berg. Men kon er te voet komen of met een bus. Maar men kon niet met de auto zelfstandig omhoog. Dus parkeerden wij op een parkeerplaats en begonnen aan een wandeling van enkele honderden meters de berg opwaarts. Inmiddels hadden wij begrepen dat dit restaurant het Adelaarsnest van Adolf Hitler was. Gebouwd als cadeau voor Hitlers vijftigste verjaardag. Echter, och arme, Hitler verbleef er niet zo vaak vanwege de ijle lucht die hij niet goed verdroeg.

Wij klommen omhoog en genoten van de tocht, de natuur en het uitzicht. Het was prachtig en na enkele uren kwamen wij boven op een bus-parkeerplaats. Wij waren gaan lopen omdat ik geen cent wilde spenderen aan dit project maar op de parkeerplaats gekomen kon men gebruik maken van een lift die via een tunnel te bereiken was. Deze bracht je in enkele seconden ruim 100 meter omhoog. Het was een hele bezienswaardigheid, de lift. Van koper en aan alle zijden kon je jezelf bekijken. Zoals ik later begreep, vanwege Hitlers claustrofobie en paranoia voor aanslagen. We zaten met zijn tweeën in de lift. Bovengekomen was het uitzicht adembenemend. We keken in de diepte op de Königssee. Het Adelaarsnest was een prachtig gebouw met een enorm terras. Maar het gevoel dat erbij loskwam was ook bijzonder ongemakkelijk. Het feit dat er consumpties konden worden genuttigd en men het aanprees als een café vond ik zo bizar. Dit gold toch een besmette plek?! Hoe kon je hier zo aan voorbij gaan en er iets als een horecagelegenheid in vestigen en het als zodanig aanprijzen?

Wij plachten in onze vakanties altijd oorlogsmonumenten te bezoeken en hadden verschillende plekken in Polen, Oostenrijk en later Normandië bezocht. Overal werd de Tweede Wereldoorlog en haar geschiedenis gerespecteerd. Het betrof hier weliswaar geen strijdtoneel maar had wel als achtergrond de plek waar de dingen bekokstoofd werden, om het maar een beetje populistisch te zeggen.

We liepen weer naar beneden, achter een man die in zijn rugzak de toespraken van Hitler door de bergen liet galmen (want dat soort mensen wordt natuurlijk ook aangetrokken). Langs de ruïnes van de gebombardeerde huizen van ‘der Adolf’.

Afgelopen zomer waren wij terug in deze omgeving, in Oostenrijk dit keer. Nu met drie van onze kinderen. We verbleven vlak onder het hartzakje van Duitsland, waar deze Duitse uitstulping mij aan doet denken. Vanwege de historische ontwikkeling van de kinderen leek het ons een goed idee nogmaals dezelfde reis te maken, richting Berchtesgaden, m.n. richting de Obersalzberg. Op pad dus. We parkeerden op een óvervolle parkeerplaats waar alle nationaliteiten verzameld leken. We liepen naar een groot etablissement waar het overvol was en de in dirndl gestoken serveersters met grote bladen bier en hamburgers rondliepen. In de toeristische winkels kon je truien, T-shirts, blouses, bekers, borden, tegels enz. kopen met afbeeldingen van het restaurant op de berg. Lopen en klimmen kon ik het stuk niet meer. Maar nu, dertig jaar ouder, ging ik met de bus omhoog. Een doodenge rit langs diepe afgronden. Er kon alleen éénrichtingsverkeer rijden. Bussen wachtten bij inhammen of uitsparingen op elkaar. Alle bussen zaten óvervol en reden in strak schema. Boven aangekomen leek het wel Euro Disney, waar je in de rij moet wachten om ergens in te kunnen. De hele tunnel tot aan de lift, achterin, stond rijen dik vol. Na een kwartiertje werden wij allen als haringen in een ton opgevangen door een in zichzelf gekeerde liftbediende en stegen in razende vaart ruim honderd meter omhoog. Boven op het –alweer- overvolle terras aten en dronken de gasten dat het een aard had. De bediening, in lederhose en geruite bloes of in dirndl, was van Poolse afkomst (!). De kiosk verkocht ijs en pretzels. De toeristen struikelden over elkaar heen, het terras overlopend op weg naar het hoogste punt van de berg om uit te kijken op de See. Het was bloedheet.

Met stijgende verbazing sloegen wij dit alles gade. Mijn man was inmiddels boven gekomen, uitgeput van de klim, hij wel.

Ook wij dronken wat en begaven ons snel via de lift weer naar de bus. Het was mooi geweest.

Een hele rare ervaring rijker reden wij terug, naar Oostenrijk. Onderweg de trip evaluerend. Wat moesten we hier nou van denken……. Dit bezoek aan de ‘Hitlerberg’ zoals ik het steeds gekscherend genoemd had.

 

 

 

 

Simon : Want zij gelooft in mij

hoogleraren

Simon : ‘Want zij gelooft in mij’

 

Zo luidt de titel van een beroemd lied……. Opgetekend vanuit een prismawoordenboek, zo hebben wij kunnen zien. Hij zou over enkele dagen de pensioengerechtigde leeftijd bereikt hebben, hoewel, die is een beetje opgerekt dus + drie maanden, of zoiets. En daarna AOW. Die André.                                      Maar eigenlijk gaat dit verhaal niet over hem. Het gaat over een andere man, op een jaar na even oud. En nu mijn zoon net dit lied ten gehore bracht herinner ik mij ineens een beeld dat ik nog altijd  op mijn netvlies heb.

Het is vele jaren geleden dat de man van een vriendin van mij, noem hem een vriend (ook al zo’n mooi Hazeslied, het eerste dat ik hoorde en waarbij ik meteen de LP aanschafte, in 1980, maar dit terzijde) zijn inaugurele rede hield. Hij werd hoogleraar en ging les te gaan geven aan een universiteit. Hij werd meester van de aankomende dokters en specialisten in zijn vakgebied.                                                                                                                                                                                                  Wij waren uitgenodigd om plaats te nemen in de betonnen krochten van het universiteitsgebouw waar deze ceremonie plaatsvond. Het was een vrij donker en fantasieloze ruimte, in mijn herinnering.  Spartaans. Ik weet niet eens of er wel banken waren of dat het een onaffe bouw betrof. Grijs en hard en kil.

Op zeker moment kwam onze vriend vergezeld door hoogleraren de ruimte binnen en stak van wal. Het onderwerp betrof een bepaalde kankersoort en werd vrolijk omlijst door grote dia’s. Maar omdat onze vriend een bijzonder mens is, zou hij niet zijn wie hij was zonder het serieuze gedeelte ook af en toe wat te verluchtigen. En zo zagen we een lelijke penis met hoge hoed, maar ook wat familiekiekjes ertussendoor. Ineens verscheen mijn vriendin meer dan levensgroot op de muur afgebeeld, héél hoog boven op een berg met de handen gevuld met berggruis, meen ik. In ieder geval toonde zij haar vuile handen. Bezweet en in klimkleding. Typisch mijn vriendin en een typisch beeld dat weergeeft hoe zij samen het leven delen.

Na enige tijd werd de deur geopend en verscheen de pedel. De hoogleraren stonden op van hun zetel (waarschijnlijk wel met een kussentje) en verlieten in een stoet de ruimte, onze vriend flankerend. Hoge heren (en dames) met fluwelen baretten en toga’s, het had iets middeleeuws. Behalve één ding, door de zaal galmde André Hazes ‘Want zij gelooft in mij’.                                                                                                                                                                                                                                                Ik was ontroerd, trots, op onze vriend, om zoveel respect van mijn vriend voor zijn vrouw, zoveel lef om deze volksmuziek te verheffen naar intellectuele hoogte. Of beter, om het leven misschien te relativeren, verschillen samen te brengen, te verbinden.

Altijd als ik dit lied hoor, piept deze gedachte om een hoekje van mijn geest. Het is zo’n mooi beeld, zo liefdevol.

’s Avonds vierden wij in de bekende Wintertuin een groot feest en samen schilderden wij een winterlandschap, genummerd en wel, met schaatsers, grachtenhuizen, platbodems. Zo werd alles terug gebracht tot normale proporties. Het leven zelf.