Koffiehuis

Muis

Koffiehuis

En zo droomde ik ineens weer dag. Associatief. Ik reed met mijn zoon langs de Kersentuin aan de Apollolaan. Hij vroeg wat dit voor gebouw was, hij vond het zo lelijk. ‘Een hotel,’ sprak ik, ‘waar Joop Braakhekke van Le Garage ooit met spetterend vuur vertrok. Daarna is hij in een oude garage in de Ruysdaelstraat zijn restaurant begonnen.’                                 Mijn zoon vertelde over mensen die er gegeten hadden en hoe hard men er moest werken. Ik vertelde over de straat van ‘toen’ was, waar het hoofdgebouw van de Hema zetelde, waar nu de mensen fysiek gekneed worden. Maar ongeveer naast Le Garage, waar destijds een garage zat toen een koffiehuis zetelde (ik schat op nr. 46).                                                            Met regelmaat gingen we daarheen. Eerst toestemming vragen om de buurt uit te gaan en de drukke straat over te steken en dan op snoepjacht, want in het koffiehuis werd snoep verkocht, vanaf één cent. Alles lag uitgestald onder een soort raamwerk met dik doorzichtig plastic, als deksel van een soort rechthoekige kist van 100x80x25 cm. De snoepvitrine op hoge poten. Voor die ene cent kon je grijze of witte babymuizen krijgen. Een beetje een spekkie-soort. Voor vijf cent kon je een grijze of witte papa- of mamamuis kopen. Een groter formaat dus. Ook stroopsoldaten met papier, waar je eerst met eigen spuug het papier vanaf moest weken. Verder: opgerolde dropveters met in het midden een gekleurd balletje, Kwattarepen, spekkies (roze-gele ruit, zoals ze er nog steeds zijn), ouwelpapier, toverballen en nog veel meer.  Sommige van deze snoepsoorten bestaan nog steeds. Maar wat niet meer bestaat is het koffiehuis.

Als binnentrad kwam je in een sombere, donkere ruimte met allemaal tafeltjes en stoetjes met tapijttafelkleedjes, Perzisch. Er brandde geen licht. Achterin, in een soort keukentje zat een hele dikke vrouw met een schort om en vies grijs vet krullend haar. Ik meen ook nog met een mond met ontbrekende tanden. Soms hees ze zich uit haar stoel en schommelde richting het licht, daar waar de snoepuitstalling stond, bij binnenkomst rechts naast de deur. Soms kwam haar man van achteren, een viezige oude man met gekromde rug en ónaardig, zoals wel meer mensen in die tijd, die zich op kinderen richtten met hun handel. (Op de Albert Cuyp zat een gigantisch dikke man met enorme buik, zittend op een kruk naast een kraam met speelgoed altijd te roepen: ‘Wij hebben álles voor het kind,’ vervolgend, als een kind daarop afkomend iets van speelgoed wilde aanraken: ‘Blijf er met je poten af!’ Waarop het betreffende kind angstig achteruit deinsde. Mijn vader vond dat vooral prachtig en mocht deze situatie graag voordragen.                                                                  Achterin dit koffiehuis zat een grote papegaai op een stok. Soms zat hij in een kooi. Je mocht er wel even naar kijken maar niet te dichtbij komen. Hij kon in je vingers pikken. Vals.

Hoe de avonden er waren weet ik niet, ik was te jong, maar aan het interieur te zien werd er ’s avonds een kaartje gelegd of een schaakspel gespeeld. Of gedamd. Maar of er naast ons bezoek sprake van enig ander bezoek was, om eerlijk te zijn heb ik geen idee. Het was min of meer een soort voorportaal van iets heel treurigs, voor deze mensen.

 

Het zal de ouderdom zijn maar steeds vaker rijd ik door straten waarbij ik passerend aan mijn geestesoog alle vertrokken winkels zie langstrekken. Plaats gemaakt voor woonhuizen of moderne zaken. Het zijn er zo velen. Langzaamaan schuif ik op, net als al mijn voorgangers, ben ik in een stadium gekomen van gemis van wat ooit als vaste waarde leek te bestaan.

 

Hieronder een link naar een onderzoek m.b.t. koffiehuizen en hun ontwikkeling

http://dare.uva.nl/cgi/arno/show.cgi?fid=45301

 

Advertenties

‘Tocht naar de Hitlerberg’

Kehlsteinhaus lift

‘ Tocht naar de Hitlerberg’

 

Het was 1984 en ik zat vlak voor mijn afstuderen aan een lerarenopleiding, Nederlands. Ik had besloten om dat te versnellen en moest nu als een haas veertig boeken lezen: Kloos, Van Deyssel, Couperus, Bordewijk, Elschot, van Ostaijen, Slauerhoff, Hermans, Mulisch, Reve enz. enz. Ik had er twee maanden voor maar las met de snelheid van Avi 4 ongeveer.

Het was juli en eigenlijk ook vakantietijd dus besloten mijn man en ik toch even op pad te gaan, voor de ontspanning. Boeken wel mee. We reden richting Beieren en streken neer in een pension annex Metzgerei aan de Duits-Oostenrijkse grens. Schengen bestond nog niet en aan de overzijde van de rivier die Oostenrijk van Duitsland scheidde stond nog een militair, zijn land te beschermen. Het was een mooie omgeving en ik las als ik de tijd had maar we maakten ook uitstapjes naar bijvoorbeeld Salzburg.                                            Eigenlijk hadden we er helemaal niet bij stil gestaan dat dat zo dichtbij was, maar altijd geïnteresseerd in de Tweede Wereldoorlog bleek dat Berchtesgaden dichtbij lag. Dus reden we erheen voor een dagtochtje. We waren getipt dat men het Kehlsteinhaus bezoeken kon, een restaurant hoog bovenop een berg. Men kon er te voet komen of met een bus. Maar men kon niet met de auto zelfstandig omhoog. Dus parkeerden wij op een parkeerplaats en begonnen aan een wandeling van enkele honderden meters de berg opwaarts. Inmiddels hadden wij begrepen dat dit restaurant het Adelaarsnest van Adolf Hitler was. Gebouwd als cadeau voor Hitlers vijftigste verjaardag. Echter, och arme, Hitler verbleef er niet zo vaak vanwege de ijle lucht die hij niet goed verdroeg.

Wij klommen omhoog en genoten van de tocht, de natuur en het uitzicht. Het was prachtig en na enkele uren kwamen wij boven op een bus-parkeerplaats. Wij waren gaan lopen omdat ik geen cent wilde spenderen aan dit project maar op de parkeerplaats gekomen kon men gebruik maken van een lift die via een tunnel te bereiken was. Deze bracht je in enkele seconden ruim 100 meter omhoog. Het was een hele bezienswaardigheid, de lift. Van koper en aan alle zijden kon je jezelf bekijken. Zoals ik later begreep, vanwege Hitlers claustrofobie en paranoia voor aanslagen. We zaten met zijn tweeën in de lift. Bovengekomen was het uitzicht adembenemend. We keken in de diepte op de Königssee. Het Adelaarsnest was een prachtig gebouw met een enorm terras. Maar het gevoel dat erbij loskwam was ook bijzonder ongemakkelijk. Het feit dat er consumpties konden worden genuttigd en men het aanprees als een café vond ik zo bizar. Dit gold toch een besmette plek?! Hoe kon je hier zo aan voorbij gaan en er iets als een horecagelegenheid in vestigen en het als zodanig aanprijzen?

Wij plachten in onze vakanties altijd oorlogsmonumenten te bezoeken en hadden verschillende plekken in Polen, Oostenrijk en later Normandië bezocht. Overal werd de Tweede Wereldoorlog en haar geschiedenis gerespecteerd. Het betrof hier weliswaar geen strijdtoneel maar had wel als achtergrond de plek waar de dingen bekokstoofd werden, om het maar een beetje populistisch te zeggen.

We liepen weer naar beneden, achter een man die in zijn rugzak de toespraken van Hitler door de bergen liet galmen (want dat soort mensen wordt natuurlijk ook aangetrokken). Langs de ruïnes van de gebombardeerde huizen van ‘der Adolf’.

Afgelopen zomer waren wij terug in deze omgeving, in Oostenrijk dit keer. Nu met drie van onze kinderen. We verbleven vlak onder het hartzakje van Duitsland, waar deze Duitse uitstulping mij aan doet denken. Vanwege de historische ontwikkeling van de kinderen leek het ons een goed idee nogmaals dezelfde reis te maken, richting Berchtesgaden, m.n. richting de Obersalzberg. Op pad dus. We parkeerden op een óvervolle parkeerplaats waar alle nationaliteiten verzameld leken. We liepen naar een groot etablissement waar het overvol was en de in dirndl gestoken serveersters met grote bladen bier en hamburgers rondliepen. In de toeristische winkels kon je truien, T-shirts, blouses, bekers, borden, tegels enz. kopen met afbeeldingen van het restaurant op de berg. Lopen en klimmen kon ik het stuk niet meer. Maar nu, dertig jaar ouder, ging ik met de bus omhoog. Een doodenge rit langs diepe afgronden. Er kon alleen éénrichtingsverkeer rijden. Bussen wachtten bij inhammen of uitsparingen op elkaar. Alle bussen zaten óvervol en reden in strak schema. Boven aangekomen leek het wel Euro Disney, waar je in de rij moet wachten om ergens in te kunnen. De hele tunnel tot aan de lift, achterin, stond rijen dik vol. Na een kwartiertje werden wij allen als haringen in een ton opgevangen door een in zichzelf gekeerde liftbediende en stegen in razende vaart ruim honderd meter omhoog. Boven op het –alweer- overvolle terras aten en dronken de gasten dat het een aard had. De bediening, in lederhose en geruite bloes of in dirndl, was van Poolse afkomst (!). De kiosk verkocht ijs en pretzels. De toeristen struikelden over elkaar heen, het terras overlopend op weg naar het hoogste punt van de berg om uit te kijken op de See. Het was bloedheet.

Met stijgende verbazing sloegen wij dit alles gade. Mijn man was inmiddels boven gekomen, uitgeput van de klim, hij wel.

Ook wij dronken wat en begaven ons snel via de lift weer naar de bus. Het was mooi geweest.

Een hele rare ervaring rijker reden wij terug, naar Oostenrijk. Onderweg de trip evaluerend. Wat moesten we hier nou van denken……. Dit bezoek aan de ‘Hitlerberg’ zoals ik het steeds gekscherend genoemd had.

 

 

 

 

Simon : Want zij gelooft in mij

hoogleraren

Simon : ‘Want zij gelooft in mij’

 

Zo luidt de titel van een beroemd lied……. Opgetekend vanuit een prismawoordenboek, zo hebben wij kunnen zien. Hij zou over enkele dagen de pensioengerechtigde leeftijd bereikt hebben, hoewel, die is een beetje opgerekt dus + drie maanden, of zoiets. En daarna AOW. Die André.                                      Maar eigenlijk gaat dit verhaal niet over hem. Het gaat over een andere man, op een jaar na even oud. En nu mijn zoon net dit lied ten gehore bracht herinner ik mij ineens een beeld dat ik nog altijd  op mijn netvlies heb.

Het is vele jaren geleden dat de man van een vriendin van mij, noem hem een vriend (ook al zo’n mooi Hazeslied, het eerste dat ik hoorde en waarbij ik meteen de LP aanschafte, in 1980, maar dit terzijde) zijn inaugurele rede hield. Hij werd hoogleraar en ging les te gaan geven aan een universiteit. Hij werd meester van de aankomende dokters en specialisten in zijn vakgebied.                                                                                                                                                                                                  Wij waren uitgenodigd om plaats te nemen in de betonnen krochten van het universiteitsgebouw waar deze ceremonie plaatsvond. Het was een vrij donker en fantasieloze ruimte, in mijn herinnering.  Spartaans. Ik weet niet eens of er wel banken waren of dat het een onaffe bouw betrof. Grijs en hard en kil.

Op zeker moment kwam onze vriend vergezeld door hoogleraren de ruimte binnen en stak van wal. Het onderwerp betrof een bepaalde kankersoort en werd vrolijk omlijst door grote dia’s. Maar omdat onze vriend een bijzonder mens is, zou hij niet zijn wie hij was zonder het serieuze gedeelte ook af en toe wat te verluchtigen. En zo zagen we een lelijke penis met hoge hoed, maar ook wat familiekiekjes ertussendoor. Ineens verscheen mijn vriendin meer dan levensgroot op de muur afgebeeld, héél hoog boven op een berg met de handen gevuld met berggruis, meen ik. In ieder geval toonde zij haar vuile handen. Bezweet en in klimkleding. Typisch mijn vriendin en een typisch beeld dat weergeeft hoe zij samen het leven delen.

Na enige tijd werd de deur geopend en verscheen de pedel. De hoogleraren stonden op van hun zetel (waarschijnlijk wel met een kussentje) en verlieten in een stoet de ruimte, onze vriend flankerend. Hoge heren (en dames) met fluwelen baretten en toga’s, het had iets middeleeuws. Behalve één ding, door de zaal galmde André Hazes ‘Want zij gelooft in mij’.                                                                                                                                                                                                                                                Ik was ontroerd, trots, op onze vriend, om zoveel respect van mijn vriend voor zijn vrouw, zoveel lef om deze volksmuziek te verheffen naar intellectuele hoogte. Of beter, om het leven misschien te relativeren, verschillen samen te brengen, te verbinden.

Altijd als ik dit lied hoor, piept deze gedachte om een hoekje van mijn geest. Het is zo’n mooi beeld, zo liefdevol.

’s Avonds vierden wij in de bekende Wintertuin een groot feest en samen schilderden wij een winterlandschap, genummerd en wel, met schaatsers, grachtenhuizen, platbodems. Zo werd alles terug gebracht tot normale proporties. Het leven zelf.

 

Karel Eykman en de Thomaskelder

EykmanKarelfotoKarel Eykman

De Thomaskelder

Karel Eykman stond in de krant, van afgelopen zaterdag. De Thomaskerk bestond 50 jaar. In 1966 was hij gevraagd daar te komen om met de jeugd daar aan de slag te gaan, las ik. Maar wat wás die Thomaskelder nu precies?

In 1968 kwam ik er bij toeval terecht, ik meen via een vriendinnetje. Wij waren thuis niet gelovig maar dat was in de Thomaskelder, vast gebouwd aan de kerk, geen probleem. Ieder schaapje was welkom, zo voelde het helemaal. Je werd er opgenomen en er was respect voor iedereen. Ik was veertien en de oudsten waren rond de achttien.                                                                                                   De Thomaskelder was een grote ruimte met een laag plafond waar om die reden dan ook geen alcohol geschonken mocht worden. Aan de zijkant waren twee ruimtes, in de eerste werden in die tijd nog bijbelgesprekken gevoerd, de tweede was het kantoor waar Karel huisde, samen met zijn uit Rotterdam meegenomen secretaresse Francine. Een struise blonde dame met gezag.                                               Karel liep altijd door de kelder met een ietwat gebogen houding, gestoken in een lichtblauw modern spijkerpak, afgewisseld met een donkergroen corduroy. Hij hakkelde soms wat in zijn spraak maar dat werd voornamelijk veroorzaakt omdat hij tegelijkertijd nadacht.

In die zomer van 1968 organiseerde de Thomaskelder een zeilkamp in Gaastmeer, in een boerderij sliepen we in de stallen. Overdag vertrokken we redelijk op tijd naar de de avond ervoor gezamenlijk besproken locatie. Ik kreeg zeil les van de grote jongens. Soms gingen we ’s avonds laat nog ‘even naar Balk’ om in een café een fles Berenburg te kopen. Onderweg een hooibaal meenemend die op het water, in de fik gestoken, als kampvuur dienst deed. Karel was in voor van alles en hield met zijn nog maar 32 jaar de boel goed op orde. Hij was enorm enthousiast, modern, gaf alle ruimte. Karel regelde een Tejaterkamp in Vilsteren waar ik heen kon en waar ik de Rotterdamse tak ontmoette. Hieruit is later nog de Stichting Buitenkunst voortgekomen.

Na die zomer veranderde het publiek. Hoe dat kon weet ik niet maar van overal en nergens kwamen allerlei jongeren die de Thomaskelder bevolkten. Uit Zuid, de Rivierenbuurt, Buitenveldert, uit het Burgerweeshuis aan het Jaagpad en een enkeling uit de Bijlmer, toen net afgebouwd. Een héél bont gezelschap. En van Karel mocht ongeveer alles. Er kwam een beheerder van de platencollectie die een budget kreeg om de collectie uit te breiden, er was iemand die allerlei –psychedelische- feestapparaten-en verlichting in elkaar zette, en mijn vriendin en ik mochten in de eerste kamer, waar geen bijbelgesprekken meer plaatsvonden, een theehuis inrichten, opnieuw in de verf gezet en voorzien van Perzische kleden en allerlei theesoorten, aan de bar te koop voor een kwartje. En het blowen deed zijn intrede. Was dat in eerste instantie nog geen probleem, toen het de kerkenraad ter ore kwam, werd het dat wel. Karel werd steeds gespannener. Er dreigde opheffing, we mochten niet meer binnen blowen, en ook niet in de buurt. Als Karel ons betrapte kregen we een schorsing. Er werd een beetje stoned om gelachen. En Karel had er moeite mee, hij gunde ons onze vrijheid en creativiteit.  Stond onze ouders te woord die kwamen praten over de ‘stepping-stone theorie’. Keurige ouders met belangrijke posities soms.

Een enkele keer mocht ik mee naar zijn huis, waar zijn vrouw en twee kleine kinderen aanwezig waren. Samen met een toenmalige vriend en toekomstig dichter draaiden we Bob Dylan. Wij waren grote fans, en nog. Het voelde allemaal ongelooflijk goed en fijn en vrij en de toekomst lag aan onze voeten.                                                                                                                                                                               Meestal gingen we na sluiting op zondagmiddag, na het koffie-uurtje tussen elf en twee, geloof ik (waarbij wij om de beurt bardienst en corvee hadden en koffie, thee, gevulde koeken en gewone- en paprikachips verkochten), naar het terrein waar nu het WTC staat. Dat was een stratenmakers oefen-terrein. Wij zaten op de dijk, discussieerden, werden verliefd, zoenden, blowden en gingen of naar huis later, of naar het strand of naar het Amsterdamse Bos om te voetballen.

En toen werd het zomer 1969. Er was geen ontkomen meer aan: de Thomaskelder moest dicht. Het was over en uit. Wij smeekten om voortbestaan maar onze smeekbeden werden niet verhoord. Karel moest weg en wij waren ons clubhuis kwijt. En Karel had er alles aan gedaan.

Wij verspreidden ons over de stad, naar Famos in de Vondelstraat, het KAK, het Kreatief Altenrnatief Kafee aan de Johannes Vermeerstraat (een gebouw van een studentenvereniging geloof ik, op de hoek bij het Johannes Vermeerplein, waar later ook nog een vieze sleep-in kwam en je tot diep in de nacht wél alcohol kon drinken en blowen en flipperen). Bezochten de P-cafés. Maar wat het allerbelangrijkste was, onder Karels bezielende en ongelooflijk positieve leiding, Karel die in ons gelóófde, ontstonden vriendschappen voor het leven. Vriendschappen die al bijna vijftig jaar bestaan. In diverse ‘cirkels’ van vriendengroepen zijn wij nog steeds allen met elkaar verbonden. En in mijn geval zijn de kinderen van ons ook weer met elkaar verbonden. Komen wij eens in de zoveel tijd bijeen en voelt alles ongelooflijk vertrouwd voor ons onderling maar ook voor onze kinderen.

Karel heb ik in al die jaren nooit uit het oog verloren. In de afgelopen vijfentwintig jaar, als ik ergens werkzaam was als docent, kon ik hem weleens bereid vinden om mijn leerlingen te verblijden met een gastles. Als vriendendienst. Nog altijd dezelfde Karel.                                                                            Een paar jaar geleden kwam hij op bezoek. Hij wilde weten wát wij nou allemaal precies gedaan hadden in die tijd. Of we inderdaad neukten. Ik moest hem teleurstellen. Het zal wel voorgekomen zijn, zeker, maar ook zeker niet ín de Thomaskelder. Ik denk dat de fantasie van de Kerkenraad een enorme vlucht genomen had. Dat hun eigen fantasie verder ging dan die van ons.

Verleden maand fietste ik over de Koninginneweg en zag op afstand een oude man in tegenovergestelde richting aan komen fietsen. Een beetje onvast. Vond ik. Maar dat ben ik zelf, inmiddels zestig plus ook een beetje. In het voorbij gaan zag ik dat het Karel was. Roepen deed ik uit veiligheidsoverweging maar niet. Gisteren zag ik hem in de krant, op een foto. Nog altijd dezelfde Karel, maar wel een stuk ouder. Ik denk vaak aan hem, dat ik zó blij ben dat ik deze man ooit heb ontmoet. Die hele periode zit in mijn hoofd geëtst.

Overigens is het met het overgrote deel van de bezoekers heel goed gegaan. Heel soms organiseren mijn vrienden en ik een reünie en inmiddels weten we dat deze periode een zeer positieve invloed gehad heeft. Er zijn economen, politici, artsen, advocaten, docenten, ondernemers, restaurateurs, muzikanten enz. enz. uit voortgekomen. Want HIJ geloofde in ons.

 

Link artikel in Het Parool, zaterdag 28 mei 2016 :    http://www.parool.nl/opinie/-karel-van-de-thomaskelder-geloofde-in-ons~a4309936/

Graham Norton triggert … uit een grijs verleden

campari_campari_on_the_rocks

Graham Norton triggert … uit een grijs verleden

 

We kijken naar een oude aflevering van Graham Norton waar o.a. Bill Bailey, een Engelse comedian, een verhaal vertelt over een situatie waar hij ooit in verzeild raakte toen hij dronken was. Het een en ander wordt ondersteund met allerlei grappige filmpjes van mensen in eenzelfde situatie. De momenten waarop je zonder dat te beseffen de regie hebt verloren over je eigen handelen.

Ineens herinner ik me een soortgelijke situatie van meer dan veertig jaar geleden (dat moet wel want ik heb al veertig jaar geen druppel alcohol meer gedronken). De tijd waarop mijn vriendin en ik héél veel uit gingen en soms in de raarste situaties terechtkwamen. Dit specifieke voorval was in de Halvemaansteeg, een zijstraat van het Rembrandtplein. Daar was een café waarvan de eigenaar bij mijn weten Israëlisch was en waar altijd een soort van Israëlische, Arabische en Turkse muziek gedraaid werd. Wij kwamen er ongeveer elke avond, als afzakker. Eerst bezochten we café de Pieter en de Pieterspoort, in de Pieterspoortsteeg, en daarna gingen we naar dit café. Van de bezoekers kan ik me niet veel meer herinneren omdat het vaak tegen die tijd al laat was…. Als dit café dicht ging, gingen we meestal naar een naastgelegen shoarmazaak. Er waren er toen twee, een in de Halvemaansteeg en een in de Amstelstraat. Tegenover dit café zat De Hongaar, een soort nachtsnackbar waar je bij een man achter een deur met een open luik een kop goulashsoep kon kopen tegen 1 gulden statiegeld, want het was een stenen kop. Op straat voor de deur at je die dan leeg en retourneerde hem, tegen terugbetaling van die ene gulden. Ook bakte hij op een grillplaat hamburgers met gebakken ui.   We spreken over het begin van de jaren zeventig.

Deze nacht was ik in het Midden-Oostencafé. Wat er aan vooraf ging kan ik me niet meer herinneren. Wat ik me wel kan herinneren was dat ik op enig moment naar het toilet gegaan ben. In kennelijke staat, zoals behoorlijke dronkenschap keurig omschreven wordt. Of het alleen drank was of ook rookwaar kan ik me niet meer herinneren maar het zou zomaar kunnen. Ik herinner me ook nog heel goed dat ik op dat toilet zat en er niet meer af durfde. Ik weet niet of dat kwam omdat ik me ergens voor schaamde. Had ik misschien iets geks gedaan? Ik kan het niet terugbrengen. Het gevoel van schaamte en wegvluchten is wel iets wat me, in een extreem geval, niet helemaal onbekend voorkomt. Ik weet ook nog dat ik dacht en hoopte me via een onderaardse tunnel, door mijzelf te graven, ongezien zou willen laten verdwijnen. Na enige tijd heb ik toch maar voorzichtig de deur geopend. De twee toiletten van het etablissement lagen iets achter in de caféruimte, in een soort halletje. Heel voorzichtig wierp ik een blik om het hoekje van de deur en keek in een volkomen donkere ruimte. Niets te zien, sterker nog; ook niemand te zien. Hoe lang had ik op het toilet gezeten?? Tot de dag van vandaag weet ik het niet. Het besef van tijd was me ontgaan. Ik weet alleen dat iedereen naar huis was. Iédereen, ook mijn vriendin. Ik begreep er niets van. Had ik er dan uren gezeten?

Ik stapte de caféruimte in en liep naar de deur. Die zat alleen op een draai-lips-slot. Ik draaide hem open. Daarna ging ik naar het naastgelegen shoarmacafé. Daar trof ik mijn vriendin aan die helemaal niet had begrepen waar ik was gebleven. Want het café was dicht gegaan en ik was helemaal nergens meer te bekennen geweest, al die tijd. Ik was toch naar de wc gegaan? Blijkbaar was ook zij in kennelijke staat en nam ze alles als voor vanzelfsprekend aan. We besloten nog even terug te gaan om te kijken of de deur nog steeds open stond. Eigenlijk voelde ik me nog verantwoordelijk om de tent netjes achter te laten. Even later stonden we met zijn tweeën achter de bar in het donkere café en kregen de slappe lach. We namen een paar koshere hamburgers mee en een restfles Campari en een schone theedoek om alles in te verpakken. Daarna vertrokken we. De deur gewoon dichtvallend maar niet afgesloten. Want dat kon niet. Hoe het afgelopen is en wat ze er de volgende dag van gevonden hebben, zijn we nooit te weten gekomen. We hebben een paar dagen overgeslagen en zijn daarna nog wel weer erheen gegaan, met ons gedeelde geheim.

Ook heb ik eens ‘s nachts een half servies meegenomen, uit een danstent aan de Nes. Hoe weet ik niet meer. Het bestond onder meer uit een soepterrine en een aantal ontbijt- en dinerborden. Ook wat kop en schotels. Ik heb het niet lang geleden geschonken aan de basisschool om er mozaïek mee te maken. Twee kop en schotels heb ik nog bewaard. Ik serveer er koffie en thee in aan mijn schoonouders. De naam van de danstent staat er nog op.

Terugkijkend op deze ervaringen blijkt dat er momenten in een puberbrein zijn waar je later engszins met schaamte op terugblikt.

Link aflevering: https://www.youtube.com/watch?v=xnsf5a_4UuA

 

AFAC

AFAC fietsdepot

AFAC

Oftewel: ‘Ah Fuck’. Dat was wat ik dacht nadat mijn jongste zoon thuiskwam van zijn nieuwe baantje. Hij, een hardwerkende en hele serieuze student had in de ochtenduren op het Zuidplein gewerkt, om wat bij te verdienen. Maar na zijn dienst beek zijn fiets foetsie, om maar een leuke alliteratie erin te gooien. Of om het nog wat uit te breiden: ‘Fuck, fiets, foetsie!’. Dochter zei dat hij misschien was meegenomen omdat hij daar niet had mogen staan. ‘Voor fietsen verboden’, en dat op 20 april….

Maar goed, zoeken, tussen de hekken en rekken had niets opgeleverd. Dus ofwel hij was meegenomen door de AFAC (Algemene Fiets Afhandel Centrale -hoezo deze naam, waar slaat de naam op? Het is de Algemeen Erkende Diefstal Centrale, AEDC-, net als parkeerbeheer een van de best werkend diensten van de stad, door mij vaak ‘grappend’ de Stasi genoemd) óf hij was gestolen en dan moest er –al was het maar voor de statistieken- aangifte worden gedaan.

Als eerste werd gebeld met de AFAC. En we hadden meteen BINGO. Hij stond er. In een onoplettend moment, mijn zoon had er steeds zicht op, was hij dus ingeladen in een auto van dit team.                                                                                                                                                                                                                                     Het was de tweede keer dat dit gebeurde. De eerste keer was een jaar of acht geleden, de dag nadat mijn zoon zijn twaalfde verjaardag had gevierd. Door de verjaarsvisite was het mij ontschoten. Er was aangekondigd dat er nieuwe rekken zouden komen dus iedereen moest zijn fiets er uit halen. Het schoot mij ’s ochtends om kwart voor acht te binnen en ik rende naar buiten. Te laat. De auto was al weg en het rek ook. Én mijn zoons kinderfiets. Ik belde rond met de instanties en de auto werd getraceerd, we renden de buurt door, maar het mocht niet baten. Ook in een andere buurt was de auto al geweest. Dat betekende dus vijftien kilometer van ons huis érgens in het Westelijk Havengebied van Amsterdam de fiets ophalen. À, toen nog, € 10.

Maar ik moest die dag even later met mijn demente moeder naar het ziekenhuis, er moest geheugentest worden. Wat betekende: eerst naar het Zorgcentrum, helpen aankleden, met haar daar naar toe, de test, een gesprek met de geriater, en daarna de fiets ophalen. Al met al meer dan ruim een dagdeel bij elkaar. Zonder fiets was mijn kind onthand. Ontfietst. En hij had die dag ook al een sportdag dus moest ik hem eerst naar de sportvelden brengen anders kwam hij te laat. Kortom, een hoop geregel voor de moderne sandwichmoeder.

Na dit alles, net op tijd, kwamen wij in het niemandsland liggend tussen de wereldzeeën bevarende schepen. Daar waar de geur van ver weg hangt. Daar waar het terrein van de AFAC zich bevindt: een terrein van wel drie voetbalvelden groot met alleen maar fietsen, fietsen en nog eens fietsen. Zoveel eenzaamheid bij elkaar. Bij een armoedige hut konden we vrij snel alles afhandelen en zo kon mijn moeder nog net op tijd aanschuiven voor de avondmaaltijd en kon ik thuis op de valreep een maaltijd op tafel toveren. Het was een lange dag geweest.

Later ontving ik nog op mijn klacht hierover een excuusbrief van de een of andere buurtwethouder. Hij schaamde zich voor de gang van zaken. En terecht.

Maar nu belden wij en bleek de fiets dus daar te staan. Voor dit keer € 22.50 konden wij hem ophalen. Dat was wel in acht jaar tijd meer dan een 100% verhoging. Voor € 35 kon ik hem laten bezorgen en na een korte overweging koos ik daar voor. Er heen rijden zou mij ten slotte ook zo’n zes euro kosten, dan de tijd en de ergernis dus ik koos voor luxe. Met een strik er om.

Hij zou de volgende dag gebracht worden. Tussen halftwee en half vier. Vandaag dus.                                                                                                                                  ExKAKT om halfvier wordt er aangebeld en kan ik de fiets weer in mijn armen sluiten. Ik betaal de € 35 (ongeveer het door mijn zoon bij elkaar gewerkte bedrag in vijf uur, en steek mijn pinpas in een losse-broekzak-pinautomaat). De man, die met een keurig gesloten busje (‘Bezorgservice’) de fiets heeft vervoerd, houdt het apparaat goed vast, met een tremor. Van de drank? Vraag ik mij stiekem af. Want van zulk werk word je toch echt niet vrolijk, al die fietsen bezorgen bij die boze eigenaren. Ik houd mij beleefd in en bedank hem, maar diep van binnen vervloek ik die klotedienst. Als er geld te kloppen valt werken de diensten uitstekend.

 

 

 

 

Berlijn (2)

Berlijnse muur

Berlijn 2

Mijn vriend werd nu ondervraagd en na een ongeveer kwartiertje kwam hij grinnikend naar buiten. Waarschijnlijk had hij niet veel kunnen vertellen maar had deze Heinz Wurst besloten om ons maar doorgang te verlenen.

Nadat we het checkpoint achter ons hadden gelaten, vertrokken we weer per auto om vlakbij de grens even een drinkpauze in te lassen. In een kraakwit etablissement werd door kokkinnen in een keuken allerlei voedsel opgeschept. Door een metersgroot doorgeefluik werd dat aan de serveersters aangereikt. Het was lunchtijd. Tijd om warm te eten. Wij hielden het bij koffie. Door dezelfde uitgebluste serveersters, lopend op de kenmerkende Oostblok schoenen, op onze tafel neergezet.

Mijn andere vriend moest naar het toilet en kwam even later terug met de mededeling: ’Ik heb net met een stift op de wc deur geschreven ‘Leve Ho Chi Minh’’. Het was nog de tijd van de wilde haren maar tegelijkertijd rezen mijn haren te bergen. De idioot. Hadden we net dat gedonder aan de grens gehad, nu was alles herleidbaar tot ons. Wie anders zou zoiets doen. Ik ging snel naar de wc maar de inkt zat er stevig op. Zo snel mogelijk wegwezen was het beste alternatief. We rekenden af en vertrokken.

We reden naar het huis van Günther. Belden aan. Niemand thuis. Wel stond er in de straat een Lada met twee heren… Onverrichterzake zetten wij de reis voort.

Even later parkeerden wij de auto en wandelden in de buurt van een station. Aan de mannen werd door een invalide man gevraagd of zij hem de trap op kon helpen in zijn rolstoel. Behulpzaam tilden ze de man omhoog. Even later terugkerend met 150 Oost Duitse Marken. Zij hadden die voor 50 West-Duitse omgewisseld. De enige manier voor Oost-Duitsers om af en toe iets bijzonders of iets van betere kwaliteit te kopen. Jezus, wat was ik boos. Hoe in Christusnaam konden wij al dat geld opmaken wetend dat we overal bonnen van moesten overleggen bij terugkeer langs Checkpoint Charly. We zouden zeker vanavond opnieuw ondervraagd worden, na vanmorgen. Ik zag enorme beren opduiken. De enige manier om van al dat geld af te komen was het ‘op te eten’. We hadden naast dit geld ook de verplichte 5 West-Duitse Mark per persoon al omgewisseld en bezaten nu gezamenlijk 170 Oostmark. En zo reden we naar de eerste de beste benzinepomp en gooiden de tank vol. Nog geen dertig Oostmark waren we kwijt en zoveel kilometers maken in deze stad om hem weer vol te gooien zou niet lukken.

’s Avonds gingen wij zo duur als mogelijk eten. Vier gangen. Maar ook nu bleven we met een berg geld zitten, ook na de flinke fooi. De tijd tikte voort en om 00:00 Uhr moesten we weer in ‘West’ zijn. We moesten van het geld af zien te komen. Er zat een hiaat in het ’s ochtends aan de grens opgegeven geld* en de hoeveelheid nu en we hadden nog zeker zo’n honderd Oostmark. Nu begon de onrust toe te nemen. We reden door donker Oost-Berlijn en kwamen in een willekeurige straat. Daar stond een vrouw bij een bushalte. Wij openden het raam en vroegen haar of zij wat geld wilde hebben. Ze bedankte vriendelijk voor deze behoorlijk vreemde vraag. We reden door en zagen wat leeftijdgenoten. Of zíj misschien wat geld wilden. Lacherig namen zij een prop geld in ontvangst. Nog steeds kwamen uit onze zakken allerlei biljetten en munten. We reden een kleine donkere straat in, langs de muur, openden de deur en gooiden al onze verzamelde Oostmarken al rijdend de auto uit. Gierend van de lach om wat mensen zouden denken de volgende dag, als ze het geld op straat zouden vinden. Het moeten vele tientjes bij elkaar geweest zijn.

Even later, terug bij de doorgang van Checkpoint Charly, kon ik mijn achtergelaten cadeautjes voor Günther weer ophalen. Ze lagen keurig in een plastic zak achter de balie. Wij hoefden verder niets meer te laten zien en konden zo verder trekken naar West Berlijn. Opgelucht.

 

  • Aan de grensovergang diende men zijn bezittingen op te geven.

Berlijn (1)

DDR- Transit Visa

Berlijn 1

 

Het was in het laatste kwartaal van de vorige eeuw dat ik met drie vrienden naar Berlijn ging, twee jongens, twee meisjes. We waren begin twintig. In de auto van een onzer moeders vertrokken we voor een paar dagen. Het was nog lang voor de val van de muur en bij Helmstedt (de grens met Oost-Duitsland) moesten we een Transitvisum kopen à 5 Oost-Duitse D-Marken. Ons doel was zowel West-Berlijn te bezoeken alsmede mijn Oost-Duitse vriend die in Oost Berlijn woonde. Ik had hem twee jaar er voor leren kennen op mijn eenzame Interrail-trip naar Scandinavië. Ik had een boek over Berlijn en de Tweede Wereldoorlog gelezen en wilde naar die stad. In Denemarken nam ik de boot naar Rostock en reed van daaruit per trein naar Oost-Berlijn. Daar leerde ik hem kennen, Günther, werkend in een Hänchenbar, waar hij de hele avond gegrilde kippen in tweeën knipte. Wij wisselden onze adressen uit. Hij een totaal verzenuwde man, ik een vrije-wereld ontdekker. De onplezierigheden van de grensbewaking zou ik die avond mee kennismaken, toen ik met de S-Bahn via Friedrichstrasse naar West-Berlijn reed.

Nu twee jaar later gingen wij met zijn vieren overnachten bij Frau Rühlicker, een kéurige oude Duitse dame in een enorm herenhuis, ik meen aan de Bismarckstrasse. De twee heren sliepen samen in een kamer en wij, de twee dames, sliepen in een andere kamer. En na onze bezoeken aan de stad werden wij voor een drankje ontvangen door de dame des huizes, Frau Rühlicker zo gezegd. In haar salon.

Een van de uitstapjes die wij maakten was, zoals afgesproken, naar Oost-Berlijn. Wij reden ’s morgens naar de grensovergang Checkpoint Charly. De bij mijn weten enige overgang voor Westerlingen. Met een dag-visum zouden wij hem gaan bezoeken, Günter. Ik had voor hem allerlei tweedehands LP’s bij Concerto gekocht en een vaantje van Ajax. Bij de doorgang van Checkpoint Charly werden wij apart genomen. Misschien omdat wij er te hippie-achtig uitzagen. Daar ga ik maar van uit. Het was de tijd van ‘beter langharig dan kortzichtig’.

Omdat ik al deze attributen bij mij had moest ik aan de grensovergang-soldaat van deze heilstaat vertellen wat daar de reden van was. Ik vertelde dat ik een vriend ging bezoeken. Direct werd ik meegenomen naar een kamer in het lelijke containerachtige gebouw. Ik nam plaats tegenover een enorm dikke zwaar ademende Duitser in uniform met waarschijnlijk een hoge rang. Hij legde zijn pet op tafel en begon mij te ondervragen. Wie ik was, wat ik deed (op dat moment werkzaam in de kassa van een Gemeentelijk Openlucht zwembad in de hoofdstad, als werkstudent). Wie mijn vader en moeder waren. Wie ik bezoeken wilde en waar ik hem van kende. Hoe lang ik hem bezoeken wilde. Met wie ik was. Wat zij voor werk deden, waar wij vandaan kwamen, hoe wij elkaar kenden. En ga maar door. Na een kwartier hakkelen in een soort van steenkolen Duits gaf ik, op de vraag wie mijn vrienden waren en wat hun ouders deden, antwoord dat één van deze vrienden zijn vader premier van Nederland was. ‘Aha,’ zei de enigszins onderuitgezakte vette ‘generaal’ op ongeïnteresseerde toon. Maar er klonk toch nieuwsgierigheid in zijn stem. ‘Hm’, hij wilde graag weten wat deze vader verdiende. Ik zei dat ik het antwoord schuldig moest blijven, geen verstand van zaken hebbend nog van inkomsten. Ik kon gaan. Mijn vriend moest nu de kamer binnen. Waarschijnlijk wilde hij meer weten.

-wordt vervolgd-

Fiets in de avond

Voordrager-breed-matzwart-30540-Willex-1 april 2016

Fiets in de avond

 

Het eten was óverheerlijk. Ik had me (ondanks dat ik me in hartje Jordaan bevond) in Italië gewaand. Het land waar ik de afgelopen drie jaar met vakantie naar toe geweest was. De sfeer in het restaurant was herkenbaar, het eten eveneens. Het gezelschap waar we mee waren was aangenaam, maar uiteindelijk uitgewaaierd naar de verschillende windrichtingen vanwaar men gekomen was.

Nu stonden wij met zijn tweeën nog even na te praten en gingen naar buiten. Maakten onze fietsen los. Omdat het rek te vol was stonden onze fietsen ernaast maar tegelijkertijd dicht bij de stoeprand. Een andere fiets die het meest aan de stoeprand stond viel om en suisde rakelings langs een geparkeerde auto voordat hij ter aarde viel. Het was een grote, eigentijdse stadsfiets fiets met een rek aan de voorzijde.

Wij zetten onze eigen fietsen op de standaard en probeerden de omgevallen fiets weer rechtop te zetten maar het frame haakte aan de onderzijde van de auto, aan een onderdoor lopende bumper. Het was een lastig karwei en we stonden even beteuterd te kijken hoe we de fiets, die dus niet eens van ons was, schadevrij overeind konden krijgen. Zo bezig zijnde verscheen in onze ooghoek de rijzige gestalte van een oudere dame, gekleed in een soort van eikenhouten regenjas met tailleceintuur, een donkerrode panty met hoge leren laarzen en aan de arm een handtas aan een hengsel hangend. Het haar in pagemodel. Een beetje -te- tijdloze verschijning.

De dame onderbrak haar wandeling en vroeg met een zware basstem; ‘Wat is er aan de hand?’ Wij legden uit dat de fiets gevallen was en het ons niet lukte hem overeind te krijgen. En misschien waren wij wel even bang dat het de eigenaar van de auto was, die verhaal kwam halen of een eventuele schade wilde verrekenen. Ik antwoordde voor de zekerheid nog een beetje laffig: ‘En hij is niet eens van ons.’ De vrouw stapte kordaat op de fiets af en onder de, met wederom zware stem uitgesproken, woorden: ‘Ik kom uit een familie van ingenieurs….’ trok ze in één scheppende handbeweging de fiets uit de onfortuinlijke positie rechtop omhoog. Wij vrouwen stonden erbij en keken er naar. Namen de fiets over om hem vervolgens veilig op de stoep terug te zetten.

De oudere dame zei: ’En niet met vreemden mee gaan hè!’ en beende in een stevige pas verder, langzaam verdwijnend in de donkerte van de Jordaan.

Reve

DSC01635 DSC01638

Reve

 

Mijn held overleed tien jaar geleden. Het toeval wilde dat ik een paar weken terug voor een cursus een biografie moest lezen. Ik koos ‘Ons leven met Reve’. Geschreven door de levensgezel van het eerste uur van Gerard (Kornelis van het) Reve, Willem van Albada, Teigetje. Het was een boeiende biografie, of misschien ook meer een auto-biografie. Het gaf een prachtig inkijkje in het leven dat zij leidden, het ontstaan van hun vriendschap, later uitgebreid met Henk van Manen, Woelrat. Hun verhuizing naar Greonterp en de verbouwing van hun huis in Frankrijk. En ten slotte hun scheiding. En het volledig negeren van hun betekenis bij ziekte en na de dood van Reve door zijn laatste levensgezel. Het boek was in een Reviaanse stijl geschreven en ook nu moest ik regelmatig lachen om allerlei beschrijvingen. Wie nu wát had uitgevonden aan die stijl, ik zou het niet weten. Maar ik herkende Reve er in.

Stom toeval was het dat afgelopen week in het teken stond van zijn overleden, nu tien jaar geleden. Ik had me dat totaal niet gerealiseerd. En hij bleef voor mij eigenlijk ook altijd een beetje leven. Die Reve.

Op mijn vijftiende kreeg ik voor Sinterklaas van mijn ouders De Avonden. Ik las het en was meteen verkocht. Genoot van zijn manier van schrijven en verslond de latere boeken. Niet alle verhalen vond ik even boeiend, hoewel…. Ik las zijn korte verhalen wel eens aan mijn kinderen voor; Lekker kerstbrood bijvoorbeeld (waarbij ik steeds moest stoppen vanwege de slappe lach). Maar niet alleen de verhalen vond ik prachtig, de figuur intrigeerde mij ook mateloos. Ooit als leerling journalist bij Het Parool begonnen als rechtbankverslaggever, in de tijd dat mijn vader (zaliger) er werkte. Vragend of hij zich iets herinnerde er van was het antwoord dat hij nogal gefixeerd was op de daders en de straffen. Iets wat wel herkenbaar was in zijn werk.

Reve woonde niet ver hier vandaan, in de tijd dat De Avonden geschreven werd. Het speelde zich dus ook daar af. Ook dat vond ik intrigerend. En zo begon ik allerlei nieuws omtrent de persoon te volgen. Zo heb ik zelfs nog een krantenknipsel ergens uit het eind van de zestiger, begin zeventiger jaren waarin staat dat hij in een winkel in Veenendaal een man in de kassarij op de bek geslagen had. Dat verhaal kon ik, nu belicht van de andere zijde, teruglezen in de biografie. Later, toen zij al lang uit Greonterp vertrokken waren, bezocht ik het gehucht en het huis.

In 1978 reed ik met mijn nieuwe liefde naar Zuid-Frankrijk. In de buurt van Le Poët-Laval, in de Drôme zag ik ineens een Citroën HY bus met Nederlands kenteken. Enigszins bezeten begon ik deze te volgen om na een halfuur af te haken, ontdekt hebbend dat het hier iemand heel anders betrof. Wel maakte ik nog een foto van het, zijn, huis in het dorpje. (Hoe gek kun je zijn).

Ik genoot van Reve als hij ergens opdook in een programma of artikel. Zijn formuleringen, zijn hele verschijning, die ik ook bepaald niet onaantrekkelijk vond.

Maar ik ben ook verlegen.

En toen kwamen de lezingen. Ik meen een in de Brakke Grond, maar daar ben ik niet zeker van, en een in de kerk in Leiden. Met mijn bibliotheek ging ik op pad om na het genieten van zijn toespraak en beantwoorde vragen (waarvoor ik zelf veel te schijterig was om er ook maar één te stellen, ik wilde wel maar mijn hart bonkte in mijn keel) met mijn boeken naar de meester te schuifelen. Ik bood mijn boeken aan, een hele stapel. Reve ondertekende alle exemplaren met de kroontjespen. En, ik mag wel zeggen, dolgelukkig toog ik naar huis.

En toen was hij dood. Hij was langzaamaan afgetakeld, wat nog –voor zover ik mij goed herinner- in een portret van Hanneke Groenteman te zien was, opgenomen in zijn huis in Machelen aan de Leie. Een man wiens hersenen aangetast waren.

Eind april van dat jaar, 2006, bezochten we Brugge. Op de terugweg besloot ik langs Machelen aan de Leie te rijden. Een deceptie. Na vertrek uit het prachtige Brugge kwamen we terecht in het deprimerende kale en platte landschap van West-Vlaanderen. Bij Machelen aan de Leie sloegen we af en reden een eindeloze rit over een rijksweg in onderhoud. Ergens in een zijstraat sloegen wij af om het huis van Reve, waar nu zijn weduwnaar woonde, te bewonderen. Een treurig inspiratieloos huis met een enorme overwoekerde tuin en naar beneden gelaten rolluiken. Het was een korte straat. Het leek wel een straatje in niemandsland (ik put uit mijn herinnering). Vervolgens zochten wij de begraafplaats op waar Reve niet lang ervoor ten grave gedragen was, zonder, en dat wist ik nu uit de biografie, de aanwezigheid van Teigetje en Woelrat, die zoveel betekend hadden in zijn leven. Na enig zoeken kwamen wij aan de andere kant van dezelfde treurige rijksweg bij de begraafplaats aan. Op een nieuw en kaal veld lag hij daar, rustten zijn vermoeide botten, zijn weggevreten hersens. Zijn stoffelijk overschot. Bedolven onder vergeelde en inmiddels verlepte bloemstukken. Ik werd er treurig van.

Ik had graag de begrafenis bijgewoond van mijn held, ik had alleen de radio-uitzending gevolgd die (in mijn herinnering) zaterdagmiddag. Wij zetten toen de caravan op. Heel volks. Maar ik was erg blij nu er naar toe te zijn gegaan. Het had al mijn fantasieën ingelost. Het was afgerond.

Ik schreef een kaart en stak die tussen de bloemen, bedankte hem voor alle mooie momenten die zijn boeken voor mij betekend hadden. Stak tot slot de pen in de zandhoop en vertrok. Hem eenzaam achterlatend. Oud en Eenzaam.